ECLI:NL:CRVB:2011:BR1662
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verdere Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, die zich ziek meldde met rugklachten na een WAZO-uitkering, kreeg door het UWV de verdere Ziektewet-uitkering geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch oordeel van verzekeringsartsen volgde. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat haar rugklachten en migraine haar belemmerden arbeid te verrichten, ondersteund met verklaringen van een reumatoloog en neuroloog.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts Mirza beschikte over relevante medische informatie, waaronder van de huisarts, en dat de aanvullende medische verklaringen onvoldoende onderbouwing boden voor ernstige arbeidsongeschiktheid. De Raad onderschreef het oordeel dat de klachten niet zodanig ernstig waren dat arbeid onmogelijk was. De migraine werd erkend, maar de frequentie en duur van aanvallen waren onvoldoende gespecificeerd.
Gelet op deze overwegingen wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraak. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 juli 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van verdere Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.