ECLI:NL:CRVB:2011:BR1907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging aflossingscapaciteit UWV bij terugvordering WAO-uitkering
Appellant was het niet eens met het door het UWV vastgestelde maandelijkse aflossingsbedrag van €669,25 voor de terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-uitkeringen. Het UWV had dit bedrag vastgesteld op basis van een berekening van de aflossingscapaciteit, waarbij rekening werd gehouden met het inkomen van appellant en overige schulden.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht het inkomen van appellant als uitgangspunt had genomen, ondanks dat het inkomen per week wisselde, omdat dit in lijn was met de gegevens uit Suwinet en loonstroken. Tevens was het UWV niet verplicht om rekening te houden met door appellant opgegeven schulden of uitgaven bij het bepalen van de aflossingscapaciteit. De rechtbank wees het beroep van appellant af.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep de overwegingen van de rechtbank onderschreven en het beroep ongegrond verklaard. Er werden geen nieuwe feiten of argumenten ingebracht die aanleiding gaven tot herziening. De Raad bevestigde dat het maandelijkse aflossingsbedrag op juiste wijze was vastgesteld en dat het UWV niet gehouden was tot een lagere aflossing dan vastgesteld.
De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van de invordering door het UWV en benadrukt de beperkte toetsingsruimte van de rechter bij vaststelling van aflossingscapaciteit in dergelijke zaken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het maandelijkse aflossingsbedrag van €669,25 wordt bevestigd.