ECLI:NL:CRVB:2011:BR1917
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- C.W.J. Schoor
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, wiens echtgenoot in 2003 is overleden, ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij een minderjarig kind had. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 juli 2008 nadat het jongste kind 18 jaar werd. Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beëindiging met het argument dat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt was en daarom recht zou moeten houden op de uitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit van de Svb was gebaseerd op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. In hoger beroep herhaalde appellante haar stellingen en overhandigde aanvullende medische stukken, waaronder rapporten van diverse specialisten. De Svb leverde een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts ter onderbouwing van het besluit.
De Raad overwoog dat het begrip arbeidsongeschiktheid in de ANW aansluit bij de arbeidsongeschiktheidswetten en dat de beoordeling gebaseerd moet zijn op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek volgens het Schattingsbesluit. De Raad oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts voldoende was en dat het ontbreken van een lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig was gezien de beschikbare medische gegevens. De diagnose fibromyalgie bracht geen nieuwe inzichten die het eerdere oordeel ondermijnden. De arbeidskundige onderbouwing was eveneens toereikend. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is verklaard.