ECLI:NL:CRVB:2011:BR2289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op Ziektewetuitkering bij voortzetting arbeidsrelatie onder Wsw
De werknemer was sinds 1 juli 2001 in dienst bij appellante als aspirant medewerker. Op 28 april 2006 werd een wijziging op de arbeidsovereenkomst gesloten waarbij de werknemer voortgezet werd in dienst voor onbepaalde tijd binnen het kader van Begeleid Werk via Sociale Werkvoorziening (Wsw).
Na ongeschiktheid tot werken per 21 september 2007 deed appellante aangifte bij het Uwv, dat op 22 januari 2008 besloot geen Ziektewetuitkering toe te kennen. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat geen nieuwe arbeidsovereenkomst was gesloten maar sprake was van voortzetting van de bestaande arbeidsrelatie.
De Raad overwoog dat artikel 29b ZW alleen recht op ziekengeld biedt indien een nieuwe arbeidsovereenkomst is aangegaan met een werkgever als bedoeld in artikel 7 Wsw Pro. Omdat de wijziging per 30 april 2006 een voortzetting in gewijzigde vorm betrof en de werknemer dezelfde functie bleef vervullen tegen hetzelfde loon, was geen sprake van een nieuwe dienstbetrekking.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 juli 2011.
Uitkomst: Geen recht op Ziektewetuitkering omdat geen nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten per 30 april 2006.