ECLI:NL:CRVB:2011:BR2516
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens niet-wonen op opgegeven adres en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand sinds 1975 en stond sinds 1983 ingeschreven op een adres dat hij als woonadres had opgegeven. Het College vermoedde dat appellant feitelijk op het adres van zijn broer woonde en startte een onderzoek. Tijdens het onderzoek verklaarde appellant zelf dat hij al twintig jaar op het adres van zijn broer woonde. Een buurtonderzoek bevestigde dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
Het College trok daarom de bijstand per 4 juli 2008 in wegens het niet hebben van het hoofdverblijf op het opgegeven adres en het schenden van de inlichtingenplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel op het opgegeven adres woonde, dat hij zorgbehoevend was en vaak bij zijn broer verbleef om hem te helpen, en dat hij samen met zijn dochter in zijn eigen woning woonde. Ook stelde hij subsidiair dat bijstand voortgezet kon worden indien hij op het adres van zijn broer woonde.
De Raad stelde vast dat appellant ten tijde van de intrekking niet op het opgegeven adres woonde en dat zijn verklaring tegenover de handhavingsspecialist doorslaggevend was. De buurtonderzoekster bevestigde dit. De Raad oordeelde dat appellant geen juiste en volledige inlichtingen had verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-wonen op het opgegeven adres en schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd.