ECLI:NL:CRVB:2011:BR2705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving vanaf 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip werd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van deze uitkering, waarbij werd vastgesteld dat appellant vanaf juni 2002 samenwoonde met [C.D.] en een gezamenlijke huishouding voerde.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok de uitkering per 1 juli 2002 in omdat appellant niet langer voldeed aan de voorwaarden. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van een gezamenlijke huishouding, omdat volgens hem geen sprake was van wederzijdse zorg maar slechts een zakelijke relatie.
De Raad oordeelde echter dat appellant en [C.D.] wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, gelet op het samenwonen, de wederzijdse zorg en bijdragen aan de huishouding die verder gingen dan een zakelijke relatie. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.