ECLI:NL:CRVB:2011:BR2745
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf maart 1997 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een anonieme tip werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat appellante en [B.] vanaf juni 2002 een gezamenlijke huishouding voeren. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok daarop de uitkering met ingang van 1 juli 2002 in en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante voerde aan dat het onderzoek onvoldoende bewijs leverde voor een gezamenlijke huishouding en dat anonieme getuigenverklaringen en ongeloofwaardige burenverklaringen ten onrechte werden gebruikt.
De Raad oordeelde dat op basis van objectieve criteria, waaronder verklaringen van appellante en [B.] zelf, getuigenverklaringen en het feit dat zij samen een auto kochten, aannemelijk is dat zij vanaf juni 2002 samenwoonden en zorg droegen voor elkaar. Het ontbreken van gezamenlijke vrienden, een samenlevingscontract of gezamenlijke bankrekening stond dit niet in de weg. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking van de nabestaandenuitkering.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J.J.A. Kooijman en uitgesproken op 19 juli 2011.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding vanaf juni 2002 wordt bevestigd.