ECLI:NL:CRVB:2011:BR3160
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv). Deze aanvraag werd in 2004 afgewezen omdat niet was aangetoond dat appellant ondergedoken was geweest om vrijheidsberoving door de Japanse bezettende macht te ontkomen. Een verzoek tot herziening van dit besluit in 2009 werd eveneens afgewezen.
Appellant voerde in beroep aan dat hij zich gediscrimineerd voelde omdat zijn vader en neef wel een uitkering ontvingen. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting onder moeilijke omstandigheden leefde, onder meer onderduik bij familie, maar er was geen sprake van een objectieve dreiging die tot internering of vervolging leidde.
De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe feiten had aangevoerd die aanleiding gaven tot herziening van het eerdere besluit. De omstandigheden van appellant vielen niet binnen het bereik van de Wuv, mede omdat de Bersiap-periode buiten de toepassingsperiode van de wet valt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Tot slot werd geen vergoeding van proceskosten toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een periodieke uitkering op grond van de Wuv wordt gehandhaafd.