ECLI:NL:CRVB:2011:BR3297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6343 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen informatieve brief over beëindiging bijstandsuitkering

Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam beëindigde deze uitkering per 1 september 2008 bij besluit van 19 augustus 2008. Op 31 oktober 2008 stuurde het College een brief waarin werd meegedeeld dat het onderzoek geen aanleiding gaf tot een andere beëindigingsdatum.

Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was, maar slechts een informatieve mededeling zonder rechtsgevolg. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de brief wel rechtsgevolg had en dat de beslissing te summier was gemotiveerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de brief slechts informatief is en geen nieuwe rechtsgevolgen schept, en bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank.

De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak. De beslissing werd uitgesproken door C. van Viegen op 26 juli 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de brief geen besluit met rechtsgevolg is en verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk.

Uitspraak

09/6343 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2009, 09/232 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 14 juni 2011. Partijen zijn, met schriftelijk bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft het College de bijstandsuitkering van appellant per 1 september 2008 beëindigd.
1.3. Bij brief van 31 oktober 2008 heeft het College appellant het volgende meegedeeld:
“Wij hebben uw uitkering beëindigd met ingang van 1 september 2008. Wij hebben geen nieuwe informatie of een andere aanleiding die moet leiden tot een andere beëindigingsdatum. Dit betekent dat uw recht op uitkering vanaf bovengenoemde datum is gestopt.”
1.4. Namens appellant is op 4 december 2008 bezwaar gemaakt tegen de brief van 31 oktober 2008.
1.5. Bij besluit van 10 december 2008 heeft het College het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de in de brief van 31 oktober 2008 vervatte mededeling over de beëindiging van bijstand rechtsgevolg mist en dat deze brief daarom geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het bezwaar van appellant tegen de brief van 31 oktober 2008 terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 31 oktober 2008 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb omdat deze brief niet op rechtsgevolg is gericht, maar slechts een mededeling van informatieve aard bevat.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de brief van 31 oktober 2008 wel degelijk op rechtsgevolg is gericht en dat de beslissing om tot beëindiging van de bijstandsuitkering over te gaan te summier gemotiveerd is.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad heeft meermalen geoordeeld, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 15 december 2009, LJN BK8410, dat een brief waarin wordt meegedeeld dat het onderzoek niet tot een andere beëindigingsdatum heeft geleid, slechts kan worden gezien als een mededeling van informatieve aard, die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.2. Het hoger treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.L.G. Boot.
HD