ECLI:NL:CRVB:2011:BR3496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering na toekenning WAO-uitkering
Appellant had aanvankelijk een WW-uitkering ontvangen die later onterecht bleek omdat hem met terugwerkende kracht een WAO-uitkering werd toegekend. Het UWV trok de WW-uitkering in en vorderde het teveel betaalde bedrag terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de WW-uitkering pas vanaf 8 februari 2007 ingetrokken kon worden en dat terugvordering onterecht was.
De Raad oordeelde dat appellant vanaf 1 augustus 2003 geen recht had op de WW-uitkering, omdat hij geen rechtsmiddelen had aangewend tegen het intrekkingsbesluit van 8 februari 2007. Op grond van de WW is het UWV verplicht tot terugvordering van onverschuldigde betalingen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Deze zijn niet aannemelijk gemaakt.
De Raad verwees naar beleidsregels die bepalen dat bij toekenning van een andere uitkering de eerste uitkering wordt ingetrokken met ingang van de ingangsdatum van de nieuwe uitkering en dat het meerdere bedrag niet wordt teruggevorderd. Het UWV heeft dit beleid gevolgd door slechts het bedrag terug te vorderen dat het bedrag van de WAO-uitkering overtreft.
Daarmee is het bestreden besluit in overeenstemming met het begunstigend beleid en is de terugvordering terecht. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van € 64.378,12 is terecht.