ECLI:NL:CRVB:2011:BR3507

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5215 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WIA-functies

Appellant verzocht om een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) vanaf 9 september 2008, welke door het UWV werd geweigerd omdat hij geschikt werd geacht voor functies die hem eerder bij de WIA-beoordeling waren voorgesteld.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen de weigering eveneens ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn gezondheidstoestand verslechterd was.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door verzekeringsartsen en dat de medische informatie van de orthopedisch chirurg en huisarts geen aanleiding gaf tot een ander oordeel. Er werd vastgesteld dat appellant geschikt was voor ten minste één van de functies die bij de WIA-beoordeling waren vastgesteld, waardoor geen recht op Ziektewetuitkering bestond.

De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering omdat appellant geschikt is voor functies volgens de WIA-beoordeling.

Uitspraak

09/5215 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 augustus 2009, 08/2287 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 27 juli 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. Fens hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juli 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 oktober 2008 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 9 september 2008 een uitkering volgens de Ziektewet (ZW) toe te kennen, omdat hij in staat wordt geacht een of meer van de functies te vervullen die hem bij de weigering van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in 2007 zijn voorgehouden als voor hem geschikte functies.
1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 december 2008 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.
4.2. Net als de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de uitkomst daarvan onjuist zou zijn. De verzekeringsarts J.B.C. van Mill heeft appellant op 30 oktober 2008 onderzocht en geconcludeerd dat appellant geschikt is voor een van de hem in het kader van de Wet WIA geduide functies. De bezwaarverzekeringsarts A. Colijn heeft appellant op
2 december 2008 onderzocht en mede op grond van door appellant overgelegde medische informatie geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van dit oordeel van de verzekeringsarts. Ten aanzien van de in beroep door appellant overgelegde informatie van dr. P.P. Horsting, orthopaedisch chirurg, heeft de bezwaarverzekeringsarts Colijn in zijn rapportage van 17 maart 2009 opgemerkt dat dit schrijven de reeds bekende medische gegevens van met name de degeneratieve veranderingen van de rug bevestigen en dat er geen nieuwe medische feiten aan het licht komen, die een ander licht op de problematiek werpen. Het door appellant bij brief van 12 november 2009 overgelegde afschrift van het journaal van zijn huisarts, W. Bloed biedt evenmin grond om het standpunt van het Uwv dat appellant op 9 september 2009 geschikt was voor ten minste één van de functies die voor hem zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA, niet te volgen. De Raad verwijst naar de reactie van bezwaarverzekeringsarts Colijn in zijn rapportage van 30 november 2009. Met een eventuele verslechtering in de gezondheidstoestand van appellant na 9 september 2008 kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Hetgeen appellant in hoger beroep verder heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2011.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) M.A. van Amerongen.
EV