ECLI:NL:CRVB:2011:BR3526

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1258 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73a AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming UWV

Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV, vertegenwoordigd door de Raad van Bestuur, inzake een WAO-zaak. Tijdens de procedure kwam het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar die volledig tegemoet kwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor werd het hoger beroep ingetrokken.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op grond van artikel 8:75a Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet veroordeeld kan worden tot vergoeding van de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor rechtsbijstand in hoger beroep werden begroot op € 805,-.

De Raad wees het verzoek tot vergoeding van de kosten van een rapport van Instituut Psychosofia af, omdat dergelijke rapporten niet als medisch deskundigenrapporten worden aangemerkt en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen volgens eerdere jurisprudentie.

De uitspraak werd gedaan door rechter T. Hoogenboom, waarbij de griffier T.J. van der Torn aanwezig was. Het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten met instemming van partijen.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 805,- aan proceskosten aan appellant na intrekking van het hoger beroep wegens tegemoetkoming.

Uitspraak

08/1258 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:73a en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 februari 2008, 07/2780,
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 juli 2011
`
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Op 5 november 2010 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 13 december 2010 heeft mr. De Jonge vermeld dat aan de financiële bezwaren van appellant volledig is tegemoet gekomen en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep en om vergoeding van een bedrag van € 1.883,61 aan schade, te weten de kosten een rapport van Instituut Psychosofia.
Bij brief van 28 januari 2011 heeft het Uwv verweer gevoerd tegen het verzoek.
Bij brief van 3 februari 2011 is door mr. De Jonge gereageerd op het verweer van het Uwv.
Bij brief van 14 maart 2011 heeft mr. De Jonge namens appellant aangegeven dat het hoger beroep als ingetrokken kan worden beschouwd.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
In artikel 8:73a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb kan worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die de verzoeker lijdt.
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet zijn deze bepalingen van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het Uwv met de beslissing op bezwaar van 5 november 2010 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met deze procedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Volgens de vaste rechtspraak van de Raad kan, gelet op het limitatieve en forfaitaire karakter van de -exclusieve- regeling van de proceskostenveroordeling zoals neergelegd in artikel 8:75 Awb Pro en het Bpb, niet op grond van artikel 8:73, eerste lid, Awb een
- aanvullende - veroordeling in de proceskosten worden uitgesproken. Uit de plaats en de strekking van artikel 8:75 moet Pro worden afgeleid dat hiermee een exclusieve mogelijkheid aan de bestuursrechter wordt geboden om een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
Met betrekking tot de gevorderde kosten voor het inschakelen van Instituut Psychosofia overweegt de Raad dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 13 april 2005, LJN AT4323, waarin is overwogen dat en waarom in geschillen betreffende arbeidsongeschiktheid de rapporten van Instituut Psychosofia niet kunnen worden aangemerkt als rapporten van een medisch deskundige, zodat de kosten van deze rapporten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 805,-.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2011.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) T.J. van der Torn.
GdJ