ECLI:NL:CRVB:2011:BR3574
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- W.H. Bel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding bij mede-terugvordering bijstand
Appellant en K. woonden vanaf 1 juli 2006 tot 31 augustus 2008 op hetzelfde adres, waarbij K. bijstand ontving. Het College van burgemeester en wethouders van Arnhem trok de bijstand van K. in en vorderde de kosten mede terug van appellant wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder dit te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Hij stelde dat er slechts een zakelijke verhuurrelatie bestond, met afgescheiden privéruimtes en beperkte zorg voor elkaar.
De Raad beoordeelde objectief of sprake was van wederzijdse zorg, een vereiste voor gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 lid 3 WWB Pro. Uit verklaringen en observaties bleek dat K. en haar kinderen vrijwel de gehele woning gebruikten, inclusief faciliteiten zoals koelkast en televisie, en dat K. schoonmaakte. Appellant bracht af en toe de jongste dochter naar school.
Deze feiten duiden volgens de Raad op een verbondenheid die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijdt. De Raad concludeerde dat het College terecht een gezamenlijke huishouding aannam en bevestigde het besluit tot terugvordering van bijstandskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding en verklaart het hoger beroep van appellant ongegrond.