ECLI:NL:CRVB:2011:BR4129
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- H. Bolt
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos na ontslag op staande voet
Appellant was sinds 1988 in dienst bij de rechtsvoorganger van de werkgever en werd op 3 september 2004 op staande voet ontslagen wegens mishandeling en bedreiging van de bedrijfsarts. De arbeidsovereenkomst werd later ontbonden en het ontslag werd door het gerechtshof als kennelijk onredelijk beoordeeld, met toekenning van een schadevergoeding. Appellant vroeg een WW-uitkering aan per 21 april 2009, die door het Uwv werd geweigerd vanaf 1 januari 2005 wegens verwijtbaar werkloos worden.
De rechtbank oordeelde dat appellant zich zodanig verwijtbaar had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn gedrag tot beëindiging van het dienstverband kon leiden. Het gedrag bestond uit het dreigen met een stoel en het grijpen van de bedrijfsarts bij de stropdas. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst het beroep van appellant af. Argumenten over zijn ziekte, het standpunt van de werkgever voorafgaand aan het gesprek met de bedrijfsarts en omstandigheden voorafgaand aan het incident leiden niet tot een ander oordeel.
De Raad benadrukt dat het gedrag van appellant bewust was en niet voortkwam uit onmacht of onwetendheid. De verwijtbaarheid is gegeven, en het ontslag op staande voet was het gevolg van het gedrag van appellant. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbaar werkloos worden na ontslag op staande voet.