ECLI:NL:CRVB:2011:BR4276

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6711 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de hoogte van de door de rechtbank toegekende schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in een procedure over kinderbijslag. De rechtbank had de Staat veroordeeld tot een vergoeding van €2.000, maar appellante stelde dat de procedure nog voortduurde en de schadevergoeding daarom niet definitief was.

De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op de hoogte van de schadevergoeding en niet op de partijstelling, die eerder door de rechtbank was vastgesteld. De Raad merkt op dat de rechtbank alleen kon oordelen over de schadevergoeding tot het moment van haar uitspraak en niet over mogelijke verdere schadevergoeding wegens voortzetting van de procedure.

De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en ziet geen aanleiding om af te wijken van de vastgestelde schadevergoeding. De procedure wordt hiermee niet beëindigd, maar de vergoeding blijft beperkt tot het reeds toegekende bedrag. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 augustus 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de schadevergoeding van €2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

09/6711 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2009, 09/3740 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) (hierna: Staat).
Datum uitspraak: 5 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Namens de Staat heeft P.H. Banda, juridisch adviseur bij de Raad voor de Rechtspraak, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011. Namens appellante is haar echtgenoot, [naam echtgenoot], verschenen. De Staat heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 oktober 2003, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 februari 2004, heeft de Svb beslist over appellantes aanspraak op kinderbijslag. Appellante is tegen het besluit van 10 februari 2004 in beroep gekomen.
1.2. De rechtbank heeft dit beroep bij uitspraak van 16 september 2005, 04/923, ongegrond verklaard. Appellante heeft daartegen hoger beroep ingesteld.
1.3. Bij uitspraak van 6 september 2007, 05/6266, heeft de Raad de rechtbankuitspraak deels in stand gelaten. Voor het overige is de Raad tot het oordeel gekomen dat de beoordeling van het beroep onvolledig was. De Raad heeft de rechtbankuitspraak in zoverre vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen, met een bepaling omtrent de vergoeding van het griffierecht.
1.4. Bij uitspraak van 30 januari 2009, 08/1058, heeft de rechtbank, opnieuw beslissend, appellantes beroep tegen het besluit van 10 februari 2004 – voor zover nog aan de orde – ongegrond verklaard. Appellantes hoger beroep tegen deze uitspraak is bij de Raad aanhangig onder nummer 09/1089. Naar aanleiding van een verzoek van appellante om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), heeft de rechtbank in zijn uitspraak van 30 januari 2009 bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent dit verzoek en daarbij de Staat als partij in die procedure aangemerkt.
1.5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de Staat veroordeeld tot vergoeding van schade aan appellante ten bedrage van € 2.000,–. In deze uitspraak heeft de rechtbank voorts overwogen dat een verzoek van de Staat om in deze procedure de Raad voor de Rechtspraak in plaats van de Staat als partij aan te merken, niet voor toewijzing in aanmerking komt.
2.1. In hoger beroep heeft appellante aangegeven zich te kunnen vinden in de overwegingen van de rechtbank over de partijstelling. Appellantes hoger beroep richt zich tegen de hoogte van de schadevergoeding. Zij voert daarbij aan dat de schadevergoeding ten tijde van de aangevallen uitspraak slechts een momentopname is en dat de procedure nog niet is beëindigd, waardoor de schade nog oploopt.
2.2. In het verweerschrift is namens de Staat wederom de partijstelling aan de orde gesteld. Daarbij is gerefereerd aan het oordeel van de Raad. Voorts is naar voren gebracht dat de Raad zal moeten oordelen over een overschrijding van de redelijke termijn in de nog bij hem aanhangige zaak.
3.1. De Raad stelt in de eerste plaats vast dat het hoger beroep van appellante slechts de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde schadevergoeding betreft. De overwegingen van de rechtbank over de partijstelling zijn derhalve in deze procedure in hoger beroep niet aan de orde. Nu de Staat zelf niet in hoger beroep is gekomen, zal de Raad voorbijgaan aan de opmerkingen over de partijstelling in het verweerschrift.
3.2. Wat de hoogte van de schadevergoeding betreft stelt de Raad vast dat – zoals appellantes gemachtigde ter zitting heeft medegedeeld – appellante zich kan vinden in de hoogte van de schadevergoeding zoals deze door de rechtbank ten tijde van de aangevallen uitspraak is vastgesteld. Appellantes gemachtigde is evenwel van mening dat door een efficiëntere procedure de totale schade in één keer zou kunnen worden vastgesteld. Wat daarvan ook zij, de Raad kan slechts vaststellen dat de rechtbank alleen kon oordelen over het recht op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn ten tijde van de procedure bij de rechtbank. De rechtbank kon zich niet uitlaten over een mogelijk recht op schadevergoeding in verband met de voortzetting van de procedure.
3.3. Het onder 3.2 overwogene leidt tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2011.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) D.E.P.M. Bary.
RK