ECLI:NL:CRVB:2011:BR4582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M.I. ’t Hooft
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving sinds 1982 bijstand en deze werd ingetrokken met ingang van 22 januari 2007 vanwege schending van de inlichtingenverplichting. Het College stelde vast dat appellante de huur contant betaalde terwijl de bankafschriften onvoldoende dekking boden en dat zij geld leende van familieleden zonder duidelijkheid over de geldstromen.
Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Utrecht die het beroep van appellante ongegrond verklaarde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens had overgelegd omtrent de contante huurbetalingen en de herkomst van het geld.
De Raad bevestigde dat het College terecht de bijstand heeft ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, WWB, omdat niet kon worden vastgesteld of appellante aan de voorwaarden voor bijstand voldeed. De overige aangevoerde gronden, waaronder het weigeren van een huisbezoek, werden niet verder besproken. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.