ECLI:NL:CRVB:2011:BR4688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- M. Greebe
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum WW-uitkering bij beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
Appellant en zijn werkgever sloten op 29 mei 2009 een beëindigingsovereenkomst waarbij de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2009 eindigde en een vergoeding van €25.000,- werd overeengekomen. De werkgever vroeg op 30 september 2009 de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke ontbinding per 1 oktober 2009 werd uitgesproken.
Appellant vroeg bij het UWV een WW-uitkering aan met ingang van 1 oktober 2009, maar het UWV wees dit af tot en met 31 december 2009 op grond van de ontbindingsbeschikking en de fictieve opzegtermijn van drie maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en stelde dat de ontbinding door de kantonrechter bepalend was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de arbeidsovereenkomst feitelijk is geëindigd door de beëindigingsovereenkomst van 29 mei 2009, omdat partijen niet zijn teruggekomen op deze overeenkomst en de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter deze niet vervangt. Hierdoor is appellant per 1 oktober 2009 werkloos en heeft hij recht op WW-uitkering vanaf die datum.
Het besluit van het UWV van 11 februari 2010 mist een deugdelijke motivering en wordt vernietigd. Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herzien en een nieuw besluit op bezwaar te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst is met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 oktober 2009, waardoor de WW-uitkering vanaf die datum ingaat; het besluit van het UWV wordt vernietigd.