ECLI:NL:CRVB:2011:BR4714

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5254 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellant stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de vastgestelde belastbaarheid betrouwbaar was.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren tegen de medische beoordeling en de geschiktheid voor de geduide functies. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat appellant geen nieuwe objectieve medische gegevens had ingebracht die twijfel konden zaaien over de vastgestelde beperkingen. De medische informatie van orthopedisch chirurgen was reeds bekend en meegewogen.

De Raad oordeelde ook dat ondanks mogelijke ongeschiktheid voor één functie binnen de sbc-code, er voldoende andere functies beschikbaar zijn die appellant kan verrichten. De arbeidskundige onderbouwing was voldoende inzichtelijk en de Raad zag geen reden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank.

Daarom werd het hoger beroep van appellant verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. De Raad vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en sprak de beslissing uit in het openbaar op 10 augustus 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de herziening van de WAO-uitkering bevestigd.

Uitspraak

10/5254 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 augustus 2010, 10/1657 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 april 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
1.2. Bij besluit van 7 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsartsen naar de medische gesteldheid van appellant voldoende zorgvuldig is geweest. Zij ziet geen aanleiding appellant te volgen in zijn standpunt dat het Uwv gehouden was medische informatie op te vragen. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding te twijfelen aan de belastbaarheid die de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Het bestreden besluit berust dan ook op een deugdelijke medische grondslag. De bezwaararbeidsdeskundige heeft volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd dat appellant in staat kan worden geacht de geduide functies te verrichten, zodat het bestreden besluit ook berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag.
3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn in beroep aangevoerde gronden. Hij acht het medisch onderzoek onzorgvuldig en zijn belastbaarheid is onjuist vastgesteld door de verzekeringsartsen. Appellant acht zich verder niet in staat de geduide functies te verrichten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ter grondslag heeft gelegd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank genoegzaam is ingegaan op de gronden van appellant. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep objectieve medische gegevens ingebracht die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen zoals weergegeven in de vanwege het Uwv vastgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst van 19 december 2008. De in beroep ingebrachte medische informatie van orthopedisch chirurgen K. Bernsmann en H.A.G.M. Sala was volgens de bezwaarverzekeringsarts al bekend en is meegewogen bij de beoordeling van appellantes belastbaarheid.
4.2. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat, ook al zou de functie van medewerker heffingen, functienummer 9011-0046-017 binnen de functie belastingambtenaar, deskundige (sbc-code 532030), wegens het niet hebben van relevante werkervaring ongeschikt moeten worden geacht, er voldoende arbeidsplaatsen overblijven binnen deze sbc-code, zodat deze aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd. De geschiktheid van de overige functies binnen deze sbc-code alsmede de functies leerplichtambtenaar (sbc-code 763071) en telefonist, receptionist (sbc-code 315120) is naar het oordeel van de Raad door de bezwaararbeidskundige voldoende inzichtelijk onderbouwd. De Raad ziet geen aanleiding om hierover een ander oordeel te geven dan de rechtbank.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) T. Dolderman.
ev