ECLI:NL:CRVB:2011:BR4731

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5487 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing

Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken per 17 mei 2009, omdat volgens het UWV haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante zwaarder waren dan vastgesteld, en oordeelde dat de geduide functies passend waren.

In hoger beroep betwistte appellante de juistheid van het medisch onderzoek en stelde zij dat klachten van carpaal tunnelsyndroom en tinnitus reeds op de datum in geding aanwezig waren, waardoor voltijds werken onmogelijk zou zijn. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen nieuwe of objectieve medische gegevens had ingebracht die haar stellingen ondersteunden. Het onderzoek naar haar bloeddruk was zorgvuldig, en de bezwaarverzekeringsarts had gemotiveerd waarom geen urenbeperking noodzakelijk was.

Ook de arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd door de Raad onderschreven. De Raad zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Gezien het voorgaande wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.

Uitspraak

10/5487 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2010, 09/4282 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. N. Türkkol, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 29 november 2010.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Namens appellante is mr. Türkkol verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 16 maart 2009 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 mei 2009 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum is afgenomen naar minder dan 15%.
1.2. Bij besluit van 14 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 maart 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust naar het oordeel van de rechtbank op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep heeft gesteld en aan (medische) informatie heeft overgelegd geen aanknopingspunten gevonden voor de juistheid van de stelling van appellante dat zij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld door het Uwv in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 28 juli 2009. Met het Uwv is de rechtbank van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft gemotiveerd dat de verdenking op een carpaal tunnelsyndroom - zoals die uit de brief van neuroloog G.J. Groeneveld van 2 november 2009 blijkt -, en de in de brief van KNO-arts M. Gonultas van 11 februari 2010 vermelde tinnitusklachten, niet kunnen leiden tot het aannemen van verdergaande beperkingen op de datum in geding, nu niet is gebleken dat deze klachten al op deze datum aanwezig waren. De rechtbank heeft tot slot als haar oordeel uitgesproken dat de functie met sbc-code 111333 (medewerker schoonmaker A) voldoende realiteitswaarde heeft om als basis te kunnen dienen voor de berekening van de resterende verdiencapaciteit en dat het Uwv genoegzaam heeft toegelicht dat de voor appellante geduide functies passend zijn.
3. Appellante heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist en daartoe gesteld dat het medisch onderzoek naar haar bloeddruk onzorgvuldig is geweest en dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. De klachten als gevolg van het carpaal tunnelsyndroom en de tinnitusklachten waren volgens appellante wel degelijk al op de datum in geding aanwezig en het Uwv had rekening moeten houden met de combinatie van de klachten, waardoor voltijds werken niet mogelijk is. Appellante acht zichzelf tot slot niet in staat de geduide functies te vervullen.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. De Raad overweegt dat hij zich geheel kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit is de Raad, in lijn met het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, neergelegd in het rapport van 29 november 2010, van oordeel dat er zorgvuldig onderzoek is verricht naar de bloeddruk van appellante. Appellante heeft in hoger beroep geen objectieve medische gegevens ingebracht die haar stelling ondersteunen dat zij verdergaand beperkt is. Zo zijn er geen gegevens waaruit blijkt dat de klachten als gevolg van het carpaal tunnelsyndroom en de tinnitusklachten al op de datum in geding aanwezig waren. De rechtbank wijst er terecht op dat appellante zowel tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts als tijdens de hoorzitting in bezwaar geen melding heeft gemaakt van dergelijke klachten. Voorts is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 28 juli 2009 voldoende is toegelicht waarom er geen reden bestaat voor het aannemen van een urenbeperking. Ook in dit verband heeft appellante geen medische gegevens ingebracht waaruit de noodzaak tot een urenbeperking blijkt. In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien een onafhankelijke deskundige te benoemen.
4.2. Ook met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit ziet de Raad geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank. De rechtbank heeft de in hoger beroep herhaalde en niet nader onderbouwde gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet kunnen slagen.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) T. Dolderman.
EV