ECLI:NL:CRVB:2011:BR4731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing
Appellante was het niet eens met het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken per 17 mei 2009, omdat volgens het UWV haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het besluit gebaseerd was op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante zwaarder waren dan vastgesteld, en oordeelde dat de geduide functies passend waren.
In hoger beroep betwistte appellante de juistheid van het medisch onderzoek en stelde zij dat klachten van carpaal tunnelsyndroom en tinnitus reeds op de datum in geding aanwezig waren, waardoor voltijds werken onmogelijk zou zijn. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellante geen nieuwe of objectieve medische gegevens had ingebracht die haar stellingen ondersteunden. Het onderzoek naar haar bloeddruk was zorgvuldig, en de bezwaarverzekeringsarts had gemotiveerd waarom geen urenbeperking noodzakelijk was.
Ook de arbeidskundige onderbouwing van het besluit werd door de Raad onderschreven. De Raad zag geen reden om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Gezien het voorgaande wees de Raad het hoger beroep af en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.