ECLI:NL:CRVB:2011:BR4749

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5383 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering heropening WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak

Appellante was sinds 1997 arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering, die in 2005 werd ingetrokken wegens een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. In 2008 meldde zij toegenomen klachten aan haar linkerelleboog, waarop het UWV de heropening van de uitkering weigerde omdat deze beperkingen uit een andere ziekteoorzaak zouden voortkomen dan de eerdere arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, met de overweging dat er geen oorzakelijk verband bestond tussen de nieuwe klachten en de eerdere arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep voerde appellante aan dat de klachten al bestonden vóór de intrekking van haar uitkering, onderbouwd met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts uit 2005.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de toegenomen beperkingen aan de linkerelleboog niet voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere arbeidsongeschiktheid, mede gelet op de medische rapporten en het ontbreken van medische gegevens die een verband aantonen. De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot heropening van de WAO-uitkering wegens andere ziekteoorzaak.

Uitspraak

10/5383 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 augustus 2010, 09/2242 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met daarbij gevoegd een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 8 november 2010.
Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2011. Namens appellante is mr. Wolter verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is met ingang van 6 augustus 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 8 april 2005 is deze uitkering ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Op 29 oktober 2008 heeft appellante melding gemaakt van toegenomen klachten. Bij besluit van 21 november 2008 heeft het Uwv de uitkering met ingang van vier weken na 15 september 2007 geweigerd.
1.2. Bij besluit van 9 april 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 21 november 2008 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op de overweging dat de per 15 september 2007 toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak dan die op grond waarvan eerder arbeidsongeschiktheid is aangenomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanwege dezelfde ziekteoorzaak.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit klachten die zij al had voorafgaande aan de intrekking van haar WAO-uitkering. Zij verwijst hiertoe naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman van 11 november 2005, dat in het kader van de bezwaarprocedure tegen het besluit tot intrekking is opgesteld.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In geschil is of de per 15 september 2007 bestaande beperkingen aan de linkerelleboog van appellante voortkomen uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid voortkomt die bestond voorafgaande aan 8 april 2005, de dag met ingang waarvan de WAO-uitkering is ingetrokken.
4.2. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat een oorzakelijk verband tussen de beperkingen aan de linkerelleboog en de eerdere arbeidsongeschiktheid ontbreekt. De (bezwaar)verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat de toegenomen beperkingen voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak. De verzekeringsarts heeft appellante op
19 november 2008 onderzocht. Appellante heeft daarbij aangegeven dat zij een jaar geleden geleidelijk last begon te krijgen van haar linkerelleboog, waaraan zij uiteindelijk is geopereerd. De verzekeringsarts heeft overwogen dat de eerdere arbeidsongeschiktheid is aangenomen wegens beperkingen aan de rechterpols. Klachten aan de linkerelleboog heeft appellente volgens de verzekeringsarts nooit eerder gehad. De bezwaarverzekeringsarts onderschrijft deze visie. Zij acht het niet plausibel dat de beperkingen aan de linkerelleboog voortgekomen zijn omdat appellante haar rechterarm moet ontzien. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Uit het rapport van bezwaarverzekeringsarts Hekkelman kan niet worden afgeleid dat de arbeidsongeschiktheid van appellant voorafgaande aan de intrekking reeds (mede) werd veroorzaakt door de linkerelleboogklachten. Hekkelman heeft appellante lichamelijk onderzocht en geen afwijkingen en beperkingen aan de linkerarm geconstateerd. Appellante heeft geen medische gegevens ingebracht waaruit enig oorzakelijk verband tussen de linkerelleboogklachten en haar eerdere gezondheidsklachten kan worden afgeleid.
4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van T. Dolderman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) T. Dolderman.
RK