ECLI:NL:CRVB:2011:BR4795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor functies binnen Wet WIA
Appellant, werkzaam als toezichthouder, meldde zich arbeidsongeschikt wegens rug- en heupklachten en kreeg een WIA-uitkering geweigerd omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld. Na meerdere ziekmeldingen wegens hart-, nek- en rugklachten beëindigde het UWV het ziekengeld per 14 oktober 2008. Appellant maakte bezwaar, dat aanvankelijk werd toegewezen wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid.
Een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant geschikt bleef voor de geduide functies, rekening houdend met zijn beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een andere beoordeling en dat het UWV zorgvuldig had gehandeld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over het ontbreken van een nader medisch onderzoek en onvoldoende betrokkenheid van alle klachten. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht het ziekengeld had beëindigd omdat appellant geschikt was voor ten minste één van de functies binnen de Wet WIA. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.