ECLI:NL:CRVB:2011:BR4806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging draagkrachtmeting op basis van inkomen 2008 in studiefinancieringszaak

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin de draagkracht voor terugbetaling van zijn studieschuld over 2010 werd vastgesteld op basis van zijn inkomen in 2008.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap trad in de procedure op de plaats van de opgeheven IB-Groep. De Minister had bij besluit van 6 december 2009 bepaald dat appellant maandelijks € 26,64 moest terugbetalen. Appellant voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met wijzigingen in zijn financiële situatie.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat appellant zijn stellingen niet had onderbouwd met bewijs. De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep geen nieuwe feiten of argumenten heeft ingebracht en bevestigt de beoordeling van de rechtbank. Ook een beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.

De Raad bevestigt daarom de eerdere uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de draagkrachtmeting op basis van het inkomen in 2008 wordt bevestigd.

Uitspraak

11/4 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 november 2010, 10/178 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 8 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep) opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2011. Appellant is niet verschenen. Voor de Minister is verschenen drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 december 2009 heeft de Minister de draagkracht van appellant voor 2010 berekend en vastgesteld dat appellant (wat 2010 betreft) vanaf 1 januari 2010 maandelijks een bedrag van € 26,64 van zijn (nog resterende) studieschuld moet terugbetalen.
1.2. Bij besluit van 19 januari 2010 heeft de Minister het bezwaar van appellant, gericht tegen de in het besluit van 6 december 2009 bepaalde draagkracht, ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer vermeld dat het verzamelinkomen van appellant in het peiljaar 2008 ten opzichte van 2007 is gestegen. Ook is aangegeven dat bij de berekening van de draagkracht niet het besteedbaar inkomen, maar het verzamelinkomen of het belastbaar loon zoals dat door de Belastingdienst is vastgesteld, van belang is.
2. De rechtbank heeft in de aangevoerde beroepsgronden geen reden gevonden om te oordelen dat de Minister de draagkracht van appellant op een lager bedrag had moeten vaststellen dan hij heeft gedaan. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat appellant zijn stelling dat zijn inkomen niet is gestegen, niet heeft onderbouwd en niet van bewijzen heeft voorzien. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij de draagkrachtmeting onvoldoende met de wijziging in zijn financiële situatie rekening is gehouden.
4.1. De Raad stelt vast dat het geschil – ook – in hoger beroep zich beperkt tot de vraag of het inkomen in 2008 op basis waarvan appellants draagkracht is gemeten, juist is vastgesteld.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de stelling met betrekking tot de wijziging van het inkomen van appellant en de stelling dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening zou moeten worden gehouden met zijn financiële verplichtingen afdoende besproken, en genoegzaam gemotiveerd waarom de grieven van appellant niet slagen. De Raad deelt de overwegingen van de rechtbank en maakt de door de rechtbank uit die overwegingen getrokken conclusie tot de zijne.
4.3. Voor zover appellant heeft bedoeld een beroep te doen op de zogeheten hardheidsclausule is de Raad van oordeel dat de Minister gelet op hetgeen – zonder onderbouwing en zonder overlegging van bewijsstukken – door appellant is aangevoerd, geen aanleiding heeft behoeven te zien voor de toepassing daarvan.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
ev