ECLI:NL:CRVB:2011:BR4903
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens ontbreken bijzondere omstandigheden en tijdige melding
Appellant werd op 19 september 2006 werkloos en vroeg een WW-uitkering aan, die op 12 juli 2007 werd afgewezen wegens niet voldoen aan de referte-eis. Vervolgens diende appellant een aanvraag voor bijstand in bij de gemeente Venlo, die op 20 november 2007 werd afgewezen. Het bezwaar hiertegen werd op 22 juli 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigden.
In hoger beroep stelde appellant dat hij eerst het WW-besluit had afgewacht en pas op 5 oktober 2007 zijn bijstandsaanvraag compleet had ingediend. De Raad stelde vast dat de aanvraag alleen betrekking had op de periode van 19 september 2006 tot 8 maart 2007, een afgesloten periode. Volgens vaste jurisprudentie wordt bijstand in beginsel niet verleend over perioden voorafgaand aan de datum van aanvraag of melding bij het CWI, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad oordeelde dat appellant rekening had moeten houden met de doorlooptijd van de WW-aanvraag en dat hij zich niet direct na het WW-besluit bij het CWI had gemeld, maar pas op 23 juli 2007. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.