ECLI:NL:CRVB:2011:BR4973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag AOW wegens ontbreken bewijs van verzekering en ingezetenschap
Appellant, geboren in 1937, vroeg in 2002 een ouderdomspensioen aan op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), stellende dat hij van 1965 tot 1971 in Nederland woonde en werkte. De Sociale verzekeringsbank (Svb) onderzocht dit, maar vond geen bewijs van ingezetenschap of verzekering, ondanks navraag bij pensioenfondsen en gemeenten.
De Svb wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het oorspronkelijke besluit was ingetrokken. De Svb nam daarop nieuwe besluiten die eveneens de aanvraag afwezen vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij verzekerd was geweest of als ingezetene in Nederland had verbleven. De Raad bevestigde de niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen het ingetrokken besluit en verklaarde het beroep tegen het laatste besluit ongegrond. Een vergoeding van proceskosten werd niet toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot weigering van AOW is ongegrond verklaard wegens ontbreken van bewijs van verzekering of ingezetenschap.