ECLI:NL:CRVB:2011:BR5019

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1320 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit geen recht op aanvullende beurs wegens inkomen ouders

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarin zijn aanvullende beurs voor de periode januari tot en met augustus 2010 op nul werd vastgesteld wegens het ontbreken van inkomensgegevens van zijn moeder.

Tijdens de procedure werd duidelijk dat de inkomensgegevens inmiddels waren verkregen en dat appellant geen recht had op een aanvullende beurs vanwege het inkomen van zijn ouders. Appellant stelde dat deze gegevens al eerder bekend waren en dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid, maar kon dit niet onderbouwen.

De Raad oordeelde dat de verstrekking van een lening vanaf september 2010 conform de aanvraag was en dat appellant geen recht had op een aanvullende beurs. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door J. Brand, in aanwezigheid van griffier R.L. Venneman.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

11/1320 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Aappellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 februari 2011, 10/96 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 12 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Appellant is, conform voorafgaand bericht, niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. P.E. Merema.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 29 oktober 2009 heeft de Minister de aanvullende beurs van appellant over de maanden januari tot en met augustus 2010 (voorlopig) op nul vastgesteld wegens het ontbreken van inkomensgegevens van zijn moeder. Voorts is appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 september 2010 alleen recht op een lening heeft omdat per die datum het maximaal aantal maanden beurs is toegekend.
1.2. Bij besluit van 21 december 2009 heeft de Minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2009 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de inkomensgegevens van de moeder van appellant tweemaal zijn opgevraagd bij de Belastingdienst doch nog niet zijn verkregen van de Belastingdienst. Voorts is overwogen dat de toekenning van een maximale lening per september 2010 is geschied conform de eerdere aanvraag.
2.1. Gedurende de procedure in beroep heeft de Minister het besluit van 29 januari 2010 genomen waarbij, op basis van inmiddels verkregen inkomensgegevens van de ouders van appellant, is vastgesteld dat appellant in de periode januari tot en met augustus 2010 geen recht heeft op een aanvullende beurs.
2.2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 21 december 2009 ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het besluit van 21 december 2009 onzorgvuldig is voorbereid. De inkomensgegevens van zijn moeder waren al lang bekend bij de Belastingdienst zodat de (definitieve) hoogte van de aanvullende beurs reeds eerder had kunnen worden vastgesteld. Verder heeft appellant herhaald dat hij geen aanvraag om een lening vanaf september 2010 heeft ingediend.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep niet betwist dat hij gezien de hoogte van het inkomen van zijn ouders geen recht heeft op een aanvullende beurs in de hier aan de orde zijnde periode, zoals vastgesteld bij het besluit van 29 januari 2010. Appellant stelt slechts dat dit reeds bij het besluit van 29 oktober 2009 had kunnen worden vastgesteld omdat de inkomensgegevens van zijn moeder toen reeds bekend waren. De Raad is van oordeel dat deze grief niet tot succes leidt nu appellant zijn stelling op geen enkele wijze heeft onderbouwd en voor de juistheid van de stelling evenmin aanknopingspunten zijn te vinden in de beschikbare gedingstukken.
4.2. De Raad overweegt verder dat de verstrekking van een lening per 1 september 2010 bij besluit van 29 oktober 2009 geheel in overeenstemming is met hetgeen appellant heeft aangevraagd.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) R.L. Venneman.
EK