ECLI:NL:CRVB:2011:BR5071

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1319 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrechtartikel XXI Wet van 15 oktober 2009
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen besluit terugbetalingsperiode studiefinanciering

Appellante stelde beroep in tegen een besluit van 6 juni 2009 waarin de terugbetalingsperiode van haar studiefinanciering werd vastgesteld op 1 januari 2009, met aanvang van aflossing per 1 januari 2011. Tijdens de procedure verzocht zij om schorsing van de terugbetalingsperiode, wat aanvankelijk werd afgewezen, maar later bij besluit van 26 november 2010 werd toegekend, waardoor de terugbetalingsperiode werd uitgesteld tot 1 januari 2013 en aflossing tot 1 januari 2015.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit van 6 juni 2009 niet-ontvankelijk omdat dit besluit achterhaald was door het nieuwe besluit van 26 november 2010, waardoor appellante geen belang meer had bij de beoordeling van het eerdere besluit. Appellante stelde in hoger beroep dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was en dat het oorspronkelijke besluit onjuist was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het nieuwe besluit het bezwaar van appellante volledig tegemoet kwam en dat de rechtbank het eerdere besluit terecht buiten beschouwing had gelaten. Tevens werd geoordeeld dat de door appellante gemaakte proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking kwamen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het besluit van 6 juni 2009 bevestigd.

Uitspraak

11/1319 WSF
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 januari 2011, 09/1786 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 8 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep). Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2011. Appellante is niet verschenen. Voor de Minister is verschenen drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit op bezwaar van 6 juni 2009 heeft de Minister aan appellante meegedeeld dat de terugbetalingsperiode van haar studiefinanciering aanvangt op 1 januari 2009 en dat zij vanaf 1 januari 2011 moet beginnen met de aflossing van haar studieschuld.
1.2. Tegen dit besluit heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld.
1.3. Hangende de procedure bij de rechtbank heeft appellante bij brief van 13 augustus 2009 aan de Minister verzocht de terugbetalingsperiode te schorsen, welk verzoek bij besluit van 7 juni 2010 is afgewezen.
1.4. Bij besluit van 26 november 2010 heeft de Minister het bezwaar tegen het besluit van 7 juni 2010 gegrond verklaard en aan appellante meegedeeld dat de terugbetalingsperiode van haar studiefinanciering start op 1 januari 2013 en dat zij vanaf 1 januari 2015 een aanvang moet maken met de aflossing van haar studieschuld.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 6 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellante bij de beoordeling van het besluit van 6 juni 2009 geen belang meer heeft, omdat er op 26 november 2010 een nieuw besluit is genomen waarin naar voren komt dat appellante (ook) voor het studiejaar waarop het besluit van 6 juni 2009 betrekking heeft, als studerende wordt aangemerkt, zodat de terugbetalingsperiode overeenkomstig de wens van appellante niet is gestart op 1 januari 2011. Daarbij heeft de rechtbank tevens een beslissing gegeven over het griffierecht. Voor een proceskostenveroordeling heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het beroep tegen het besluit van 6 juni 2009, ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat dat besluit onjuist was. Volgens appellante had haar beroep gegrond moeten worden verklaard. Ook heeft appellante (opnieuw) verzocht de Minister te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep heeft moeten maken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat het besluit van 6 juni 2009 is genomen naar aanleiding van de – achteraf onjuist gebleken – veronderstelling dat appellante niet meer studeerde. Door het besluit van 26 november 2010 is het besluit van 6 juni 2009 achterhaald. Andere besluiten met betrekking tot (verder) uitstel en/of schorsing van de terugbetalingsperiode waren bij de rechtbank niet aan de orde, zodat daarover ook geen oordeel is gegeven en kon worden gegeven. Nu niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het (achterhaalde) besluit van 6 juni 2009, is het beroep door de rechtbank terecht
niet-ontvankelijk verklaard. De Raad verwijst in dit verband ook naar zijn uitspraak van 18 juni 2010 (LJN BM9290).
4.2. De Raad stelt vervolgens vast dat met het besluit van 26 november 2010 volledig aan het bezwaar van appellante betreffende de aanvang van de terugbetalingsperiode tegemoet is gekomen, zodat de rechtbank dit besluit terecht niet in haar beoordeling heeft betrokken.
4.3. Met betrekking tot de kosten die in verband met de behandeling van het beroep door appellante (beweerdelijk) zijn gemaakt, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat de Minister deze niet aan appellante behoeft te vergoeden. De kosten vallen niet onder de kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
4.4. Uit de overwegingen 4.1, 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover deze is aangevallen.
5. De Raad ziet ook voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
ev