ECLI:NL:CRVB:2011:BR5125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Appellant was werkzaam bij een werkgever en sloot op 31 augustus 2009 een vaststellingsovereenkomst waarin werd afgesproken dat de arbeidsovereenkomst zou eindigen per 1 november 2009, onder voorwaarde van een ontbindingsprocedure bij de kantonrechter. De kantonrechter heeft op 1 september 2009 de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 november 2009 en een vergoeding toegekend.
Het UWV weigerde een WW-uitkering tot en met 31 december 2009 toe te kennen, met toepassing van artikel 16, derde lid, van de WW. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat de beëindiging door ontbinding was en het recht op WW-uitkering pas per 1 januari 2010 ontstond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat de vaststellingsovereenkomst niet tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst strekte, maar slechts de voorwaarden voor ontbinding vastlegde. De arbeidsovereenkomst eindigde door de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter. Appellant heeft daarom recht op WW-uitkering vanaf 1 januari 2010. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant recht heeft op WW-uitkering vanaf 1 januari 2010 na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.