ECLI:NL:CRVB:2011:BR5305

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4688 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij indicatiebesluit AWBZ

Appellante, een psychiatrisch patiënt, maakte bezwaar tegen een indicatiebesluit van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat haar opname in een psychiatrisch ziekenhuis en het gebruik van het medicijn Risperdal haar gedurende de gehele termijn van zes weken verhinderden een bezwaarschrift in te dienen of hulp van derden in te roepen. Ook het verhuizen binnen de instelling en de beperkte financiële middelen voor ordners werden niet als verschoonbare omstandigheden gezien.

In hoger beroep herhaalde appellante haar gronden, waaronder de moeilijke situatie van een psychiatrisch patiënt en de beperkingen in het bijhouden van correspondentie. De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk was verklaard. Daarnaast overwoog de Raad dat de wens van appellante voor een persoonsgebonden budget geen onderdeel uitmaakt van het indicatiebesluit en dus niet door het CIZ wordt beslist.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar bevestigd.

Uitspraak

10/4688 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2010, 09/5590 (hierna: aangevallen uitspraak)
in het geding tussen
appellante
en
de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (hierna: CIZ)
Datum uitspraak: 17 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2011. Appellante is verschenen. Voor CIZ zijn verschenen mr. L.M.R. Kater en mr. M. van Veenendaal, beiden werkzaam bij CIZ.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 13 juli 2009 heeft CIZ een primair besluit genomen, waarin appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geïndiceerd voor zorgzwaartepakket GGZ01.
1.2. Appellante heeft bij een ongedateerde brief, door CIZ ontvangen op 15 september 2009, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 13 juli 2009.
1.3. Bij besluit van 10 november 2009 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 10 november 2009 ongegrond verklaard. Zij heeft overwogen dat hetgeen door appellante is aangevoerd als reden voor de overschrijding, niet tot het oordeel leidt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is te achten. Dat appellante gedurende de bezwaartermijn gedwongen was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis, heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven om te veronderstellen dat zij gedurende de gehele termijn buiten staat was, ook niet met behulp van anderen, om een bezwaarschrift in te dienen. Dit geldt volgens de rechtbank temeer nu appellante vanuit de instelling ook in staat is geweest om een beroepschrift in te dienen bij de rechtbank. Appellante heeft volgens de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij het medicijn Risperdal gebruikte en dat zij vanwege dit medicijngebruik gedurende de gehele bezwaartermijn verhinderd was om een bezwaarschrift in te dienen. Ook het feit dat zij binnen de instelling is verhuisd, leidt volgens de rechtbank niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.
3. In hoger beroep zijn de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald. Appellante vindt het niet verschoonbaar achten van de termijnoverschrijding een miskenning van de situatie waarin een psychiatrisch patiënt verkeert. Zij kan de teller van de brieven moeilijk bijhouden en niet de hulp van het verplegend personeel inroepen omdat dat er slechts is voor de medische verzorging. Zij verhuist elk half jaar naar een andere kamer, waarbij haar papieren door elkaar raken. Van de bewindvoerder krijgt zij te
weinig geld om ordners aan te schaffen.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is te achten. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Hij voegt daaraan toe dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante ten tijde van belang Risperdal gebruikte, maar dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij gedurende de gehele termijn van zes weken daardoor geen bezwaarschrift heeft kunnen indienen of de hulp van derden heeft kunnen inroepen. De Raad is, gelet hierop, van oordeel dat CIZ het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tenslotte overweegt de Raad nog, in dit geding ten overvloede, dat hetgeen appellante ter zitting van de Raad heeft aangevoerd over de vorm van de zorg, te weten haar wens om in plaats van zorg in natura te kiezen voor een persoonsgebonden budget, geen onderwerp is dat deel uitmaakt van de indicatiestelling. Dat in indicatiebesluiten de gewenste vorm vaak wordt genoemd, betekent niet dat CIZ daarover een besluit heeft genomen, aangezien de besluitvorming daarover tot het domein van de zorgkantoren behoort.
4.3. Gelet op 4.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011.
(get.) R.M. van Male.
(get.) P.J.M. Crombach.
HD