ECLI:NL:CRVB:2011:BR6114

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2206 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling weigering WAO-uitkering met psychische klachten en neuropsychologisch onderzoek

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om hem per 1 november 2007 geen WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onvoldoende medische motivering, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.

In hoger beroep stelde appellant dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische beperkingen en overhandigde een neuropsychologisch rapport van juli 2010. De Centrale Raad oordeelde dat dit rapport niet op de datum in geding betrekking had en niet voldeed aan de vereisten dat conclusies moeten worden ondersteund door een medisch-specialistisch rapport.

De Raad verwierp het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de psychische klachten op juiste wijze waren meegewogen door verzekeringsartsen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per 1 november 2007 wegens onvoldoende medische onderbouwing van psychische beperkingen.

Uitspraak

10/2206 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2010, 09/236 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A.M. Swagemakers, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Swagemakers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 11 december 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit appellant met ingang van 1 november 2007 niet in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, aangezien hij minder dan 15% arbeidsongeschikt wordt geacht.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van 11 december 2008 ingestelde beroep – voor zover hier van belang – gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat aan het besluit van
11 december 2008 een onvoldoende medische motivering ten grondslag ligt. In beroep is het besluit echter naar het oordeel van de rechtbank van een juiste medische grondslag voorzien. Mede op basis van de herbeoordeling in beroep van de geduide functies door de bezwaararbeidsdeskundige heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat moet worden geacht de functies te vervullen die als voor hem geschikte arbeidsmogelijkheden zijn geselecteerd. De rechtbank heeft hierin aanleiding gevonden te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 11 december 2008 thans is voorzien van een juiste medische grondslag. Appellant stelt zich op het standpunt dat er in onvoldoende mate rekening is gehouden met de psychische beperkingen die hij ondervindt. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een rapportage, gedateerd 13 juli 2010, van neuropsychologisch onderzoek overgelegd, opgesteld door drs. A.J.M. Gijsen, geestelijk gezondheidkundige.
Aangezien de rechtbank in de ogen van appellant ten onrechte heeft nagelaten een onafhankelijk deskundige te benoemen, verzoekt appellant de Raad dat alsnog te doen om te onderzoeken in hoeverre er op de datum in geding voldoende beperkingen van psychische aard zijn opgenomen in de FML.
4.1. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de psychische klachten van appellant door de verzekeringsartsen op juiste wijze zijn meegewogen in hun beoordeling van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding 1 november 2007. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, brengt de Raad niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank is gekomen. Het door appellant ingebrachte rapport van neuropsychologisch onderzoek, gedateerd 13 juli 2010 is hiervoor onvoldoende. Het rapport ziet niet op de datum in geding en voldoet ook overigens niet aan de vereisten in jurisprudentie van de Raad gesteld, namelijk dat de conclusies van neuropsychologisch onderzoek steun dienen te vinden in een medisch-specialistisch rapport, waaruit is af te leiden dat de vastgestelde cognitieve deficiënties zijn terug te voeren op medisch vastgestelde stoornissen. De Raad verwijst onder meer naar zijn uitspraak van 3 oktober 2008, LJN BV6777.
4.2. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 vloeit voort dat de Raad het standpunt van appellant dat een medisch onderzoek door een door de bestuursrechter in te schakelen deskundige aangewezen was en is, niet volgt.
4.3. Het hoger beroep van appellant treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.
(get.) J. Brand.
(get.) R.L. Venneman.
TM