ECLI:NL:CRVB:2011:BR6566

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4139 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in AOW-zaak wegens overlijden appellant

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Breda inzake de herziening van zijn AOW-pensioen van ongehuwd naar gehuwd. De Sociale Verzekeringsbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en te veel betaalde AOW teruggevorderd.

Tijdens de procedure informeerde de SVB de Raad dat appellant was overleden en dat zijn kinderen de nalatenschap hadden verworpen. Er waren geen andere erfgenamen die het hoger beroep hadden voortgezet. De Raad besloot daarom het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat het belang bij voortzetting van het geding was komen te vervallen. De vordering van de SVB werd als oninbaar beschouwd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van appellant en het ontbreken van opvolgende erfgenamen.

Uitspraak

09/4139 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2009, 08/1986 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 30 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 15 april 2011 heeft de Svb aan de Raad laten weten dat appellant is overleden. De kinderen van appellant hebben zijn nalatenschap verworpen.
De Svb heeft vervolgens laten weten zijn vordering van € 11.717,32 als oninbaar te beschouwen.
Met toestemming van de Svb heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij besluit van
3 december 2007 heeft de Svb het ongehuwden AOW-pensioen van appellant over de periode vanaf 1 juli 2004 herzien en gewijzigd in een gehuwdenpensioen op de grond dat hij een gezamenlijke huishouden voert met mevrouw [Z.] (hierna: [Z.]). Bij besluit van 3 januari 2008 heeft de Svb het over de periode van 1 juli 2004 tot en met 31 augustus 2007 te veel betaalde AOW-pensioen van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 11.717,32.
1.2. Bij besluit van 7 april 2008 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 december 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 april 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en heeft daarbij aangevoerd dat de Svb op geen enkele manier heeft kunnen aantonen dat hij een gezamenlijke huishouding met [Z.] heeft gevoerd. Daarbij merkt hij op dat hij uit onwetendheid niet bij de Svb heeft gemeld dat hij woonruimte huurde bij [Z.].
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Allereerst is - ambtshalve - aan de orde de vraag of het hoger beroep (nog) ontvankelijk is te achten. Naar het oordeel van de Raad is dit niet het geval.
4.2. De Raad merkt daartoe op dat degene die het hoger beroep heeft ingesteld, is overleden. Naar het oordeel van de Raad kan in dit geval niet worden gezegd dat van de zijde van de overledene enig belang bestaat bij voortzetting van het geding. Blijkens de door de naaste bloedverwanten van appellant aan de Raad toegezonden stukken is de nalatenschap van appellant door hen verworpen. De Raad is niet gebleken van andere erfgenamen die van rechtswege appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd.
4.3. Nu de Svb heeft meegedeeld dat de vordering op appellant, die voortvloeide uit het intrekkingsbesluit, als oninbaar wordt beschouwd, acht de Raad naspeuringen naar eventuele andere belanghebbenden niet opportuun.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het belang bij de voortzetting van het hoger beroep in het onderhavige geding is komen te vervallen, zodat dit hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) J. de Jong.
HD