Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BR6676

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1174 WAO + 10/6959 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang in WAO-zaak

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht in een WAO-zaak. Tijdens de procedure nam het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar, waarop appellant zich kon verenigen. Hierdoor bestond er geen inhoudelijk geschil meer dat door de Raad beslecht hoefde te worden.

De Raad besloot het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van procesbelang. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de gemaakte proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen uitkering.

De procedure kende meerdere stappen, waaronder een zitting, het heropenen van het onderzoek en het stellen van nadere vragen aan het UWV. Uiteindelijk werd het onderzoek gesloten zonder verdere zitting. De Raad verwees voor de wijze van rentevergoeding naar een eerdere uitspraak uit 1995.

De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade, in aanwezigheid van griffier A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen, en op 2 september 2011 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

10/1174 WAO + 10/6959 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 januari 2010, 09/1168 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft op 21 december 2010 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 24 december 2010 heeft de Raad besloten tevens een oordeel te geven over het besluit van 21 december 2010. Deze zaak is geregistreerd onder nummer 10/6959 WAO.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 7 januari 2011. Namens appellant is verschenen mr. de Roy van Zuydewijn en namens het Uwv mr. M. Sluijs. Na het onderzoek ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en het Uwv nadere vragen voorgelegd.
Het Uwv heeft op 26 mei 2011 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 30 mei 2011 is namens appellant verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en de wettelijke rente.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 26 mei 2011 heeft het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellant beslist. Appellant heeft de Raad bericht dat hij zich met de nieuwe beslissing op bezwaar van 26 mei 2011 kan verenigen en verzocht om vergoeding van de gemaakte kosten en wettelijke rente.
Nu er tussen partijen geen door de Raad te beslechten inhoudelijk geschil meer bestaat, moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad wijst het verzoek van appellant toe om het Uwv te veroordelen in de vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Wat betreft de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van
1 november 1995, LJN ZB1495, gepubliceerd in JB 1995, 314.
De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op een bedrag van € 644,- in beroep en op een bedrag van € 874,- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet ontvankelijk;
Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1518,--.
Bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen.
NW