ECLI:NL:CRVB:2011:BR6792

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5898 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om overlegging bankafschriften geen besluit in zin Awb

Appellante heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Amstelveen heeft haar bij brief verzocht om bankafschriften van haar minderjarige kinderen te overleggen en een decoder mee te nemen om eigen bankafschriften te kunnen printen. Appellante maakte bezwaar tegen dit verzoek, stellende dat dit verzoek een besluit met rechtsgevolgen betreft.

Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het verzoek geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank bevestigde dit oordeel. In hoger beroep betoogde appellante dat het verzoek wel degelijk een besluit is omdat het gericht is op het verkrijgen van gegevens voor de definitieve vaststelling van haar vermogen en daarmee op rechtsgevolg.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het verzoek niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling en dus geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 Awb Pro. Het feit dat het College met het verzoek gegevens wil verkrijgen voor de vaststelling van het recht op bijstand maakt dit niet anders. Daarom is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek om bankafschriften te overleggen is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, waardoor het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

09/5898 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 september 2009, 09/3794 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)
Datum uitspraak: 30 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Appellante is met bericht van verhindering niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.A. Hitipeuw, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft zich op 20 februari 2009 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Bij brief van 20 mei 2009 heeft het College appellante meegedeeld dat is besloten haar met ingang van 20 februari 2009 bijstand toe te kennen. Voorts heeft het College appellante meegedeeld dat haar vermogen voorlopig wordt vastgesteld op € 3.373,38. Een definitieve vaststelling van het vermogen kan nog niet plaatsvinden omdat er nog gegevens ontbreken. Verder nodigt het College appellante bij deze brief uit voor een gesprek op 27 mei 2009. Haar wordt verzocht de nog ontbrekende bankafschriften van de rekeningen van haar minderjarige kinderen te overleggen en een decoder mee te nemen zodat zij afschriften van haar eigen rekeningen bij de gemeente kan uitprinten.
1.2. Appellante heeft tegen de brief van 20 mei 2009 bezwaar gemaakt voor zover haar daarbij is verzocht op 27 mei 2009 bankafschriften te overleggen en een decoder mee te nemen.
1.3. Bij besluit van 15 juli 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de brief van 20 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat het verzoek om bankafschriften te overleggen en een decoder mee te nemen geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 juli 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat het bij de brief van 20 mei 2009 gedane verzoek van het College om bankafschriften te overleggen en een decoder mee te nemen, moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het College had immers met dit verzoek de bedoeling om gegevens boven tafel te krijgen teneinde het vermogen van appellante definitief te bepalen en het recht op bijstand vast te stellen of te bekrachtigen. Volgens appellante is dit schriftelijke verzoek daarmee op rechtsgevolg gericht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het verzoek aan appellante in de brief van 20 mei 2009 om op 27 mei 2009 bankafschriften te overleggen en een decoder mee te nemen niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit verzoek kan immers niet worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling omdat het op zichzelf niet op enig rechtsgevolg is gericht. Dat het College met dit verzoek de bedoeling had om gegevens boven tafel te krijgen die noodzakelijk zijn om het vermogen van appellante definitief vast te stellen, maakt dit niet anders. Het College heeft dan ook terecht het bezwaar van appellante tegen de brief van 20 mei 2009 niet-ontvankelijk verklaard.
4.3. Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.
(get.) J.J.A. Kooijman.
(get.) R. Scheffer.