ECLI:NL:CRVB:2011:BR7036

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6975 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zus

Appellante diende op 20 november 2008 een aanvraag om bijstand in, welke door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 7 januari 2009 werd afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 25 maart 2009 ongegrond verklaard en de rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 17 november 2009.

In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met haar zus, omdat de zorg voornamelijk eenzijdig was en er geen wederzijdse zorg bestond. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de periode van 20 november 2008 tot en met 7 januari 2009 en baseerde zich op het rapport van de handhavingspecialist en de verklaringen van appellante.

Uit het rapport en de verklaringen bleek dat appellante en haar zus samen het huishouden voerden: de zus kookte en betaalde boodschappen en persoonlijke verzorgingsartikelen, terwijl appellante schoonmaakte en de afwas deed. Ook deden zij veel samen, zoals boodschappen en tandartsbezoeken. Appellante had bovendien toegang tot de woning en zou bij een uitkering zelf bijdragen aan de kosten.

De Raad concludeerde dat appellante en haar zus blijk gaven van wederzijdse zorg en een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB. Hierdoor kon appellante niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde worden beschouwd en was de afwijzing van haar aanvraag terecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.

Uitspraak

09/6975 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2009, 09/1950 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 16 augustus 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.P. Kuhn, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Kuhn. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde
feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 20 november 2008 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.
1.2. Bij besluit van 7 januari 2009 heeft het College de aanvraag om bijstand afgewezen.
1.3. Bij besluit van 25 maart 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 januari 2009 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming is ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van de aanvraag duurzaam gescheiden leefde van haar echtgenoot en dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar zus, [naam zus appellante].
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 25 maart 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd en gesteld dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding met haar zus. Voor een gezamenlijke huishouding moet naast het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning ook sprake zijn van wederzijdse zorg. Aan dit laatste criterium heeft appellante niet voldaan, omdat er sprake is geweest van voornamelijk eenzijdige hulp door de familie in een noodsituatie.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de te beoordelen periode in geval van een aanvraag om algemene bijstand de periode van de datum van aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 20 november 2008 tot en met 7 januari 2009.
4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a van de WWB wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van wederzijdse zorg tussen appellante en haar zus. De Raad zal zich tot de beoordeling van deze vraag beperken.
4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.
4.5. De Raad is van oordeel dat het rapport van 17 december 2008, opgemaakt door de handhavingspecialist van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam, en dat wat betreft de weergave van de feiten onbestreden is, voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van het College dat appellante en haar zus in de hier te beoordelen periode blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De Raad hecht met name betekenis aan de door appellante op 16 december 2008 afgelegde verklaringen en de bevindingen van het huisbezoek. Uit de afgelegde verklaringen blijkt dat de zus kookt en dat appellante de afwas doet en de woning schoonmaakt. De zus betaalt de boodschappen en de persoonlijke verzorgingsartikelen van appellante. De zus heeft ook de kleertjes voor de baby van appellante gekocht. Voorts doen appellante en haar zus bijna alles samen; boodschappen doen en naar de tandarts gaan. Appellante heeft verklaard dat als zij een uitkering ontvangt, zij zelf haar ziektekosten zal betalen en zal mee betalen voor de kosten van de huishouding. Appellante mag van alle zaken in het huis gebruik maken en zij heeft een sleutel van de woning.
4.6. Nu uit het vorenstaande volgt dat appellante ten tijde hier van belang met haar zus een gezamenlijke huishouding voerde in de zin van de WWB kon zij om die reden niet worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Hieruit volgt dat het College de afwijzing van de aanvraag van appellante naar het oordeel van de Raad terecht heeft gehandhaafd.
4.7. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2011.
(get.) O.L.H.W.I. Korte.
(get.) B. Bekkers.