ECLI:NL:CRVB:2011:BR7036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zus
Appellante diende op 20 november 2008 een aanvraag om bijstand in, welke door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam op 7 januari 2009 werd afgewezen. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 25 maart 2009 ongegrond verklaard en de rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 17 november 2009.
In hoger beroep stelde appellante dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding met haar zus, omdat de zorg voornamelijk eenzijdig was en er geen wederzijdse zorg bestond. De Centrale Raad van Beroep beoordeelde de periode van 20 november 2008 tot en met 7 januari 2009 en baseerde zich op het rapport van de handhavingspecialist en de verklaringen van appellante.
Uit het rapport en de verklaringen bleek dat appellante en haar zus samen het huishouden voerden: de zus kookte en betaalde boodschappen en persoonlijke verzorgingsartikelen, terwijl appellante schoonmaakte en de afwas deed. Ook deden zij veel samen, zoals boodschappen en tandartsbezoeken. Appellante had bovendien toegang tot de woning en zou bij een uitkering zelf bijdragen aan de kosten.
De Raad concludeerde dat appellante en haar zus blijk gaven van wederzijdse zorg en een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB. Hierdoor kon appellante niet als zelfstandig bijstandsgerechtigde worden beschouwd en was de afwijzing van haar aanvraag terecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.