ECLI:NL:CRVB:2011:BS1146

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6029 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang bij vergoeding bezwaar kosten

Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam nam de aanvraag niet in behandeling, waarna appellant bezwaar maakte en vergoeding van de kosten van bezwaar vorderde. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en veroordeelde het College tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Appellant richt zich in hoger beroep tegen het nalaten van de rechtbank om het College te veroordelen tot vergoeding van de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Het College vergoedde deze kosten alsnog bij besluit van 4 april 2011, maar keerde de vergoeding uit aan de gemachtigde van appellant en stelde niet de betalingstermijn vast.

De Raad stelt vast dat door deze vergoeding het procesbelang van appellant in hoger beroep is komen te vervallen, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Het beroep tegen het besluit van 4 april 2011 wordt ongegrond verklaard. De Raad veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na vergoeding van de bezwaar kosten door het College.

Uitspraak

10/6029 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 september 2010, 10/963 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 6 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011. Namens appellant is mr. drs. Schroeder verschenen. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 21 augustus 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand aangevraagd.
1.2. Bij besluit van 11 september 2009 heeft het College, onder toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), deze aanvraag niet in behandeling genomen. Namens appellant heeft mr. drs. Schroeder tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij is het College verzocht appellant de kosten, die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt, te vergoeden. Bij besluit van 3 februari 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 11 september 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 februari 2010 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 11 september 2009 herroepen. Daarbij heeft de rechtbank tevens bepaald dat het College aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 41,-- vergoedt en het College veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 874,--.
3. Appellant heeft zich uitsluitend tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten het College te veroordelen tot vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt.
4. Bij besluit van 4 april 2011 heeft het College de door appellant gemaakte kosten van bezwaar tot een bedrag van € 874,-- vergoed.
5. In reactie op dit besluit heeft appellant, zoals toegelicht ter zitting van de Raad, aangevoerd dat het College ten onrechte de vergoeding van de kosten van bezwaar niet aan hem, maar aan zijn gemachtigde heeft toegekend en dat bij het besluit van 4 april 2011 ten onrechte niet is vastgesteld binnen welke termijn de betaling moet plaatsvinden.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. De Raad stelt vast dat door het besluit van het College van 4 april 2011, waarbij alsnog de door appellant in bezwaar gemaakte kosten zijn vergoed, het procesbelang van appellant in hoger beroep is komen te vervallen, zodat het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
6.2. De Raad zal vervolgens het besluit van 4 april 2011 - waarmee een nader, aanvullend besluit op bezwaar is genomen, met toepassing van de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht beoordelen. De Raad stelt vast dat appellant de hoogte van het bedrag van de toegekende vergoeding niet bestrijdt. In zijn brief van 4 juli 2011 heeft het College de Raad bericht dat het besluit van 4 april 2011 zo moet worden gelezen dat deze vergoeding is toegekend aan appellant, waarbij de feitelijke betaling plaatsvindt aan zijn gemachtigde. Daarmee is het bezwaar van appellant op dit punt weggenomen. Aangezien, zoals ter zitting van de Raad is gebleken, de uitbetaling van de toegekende vergoeding op 12 juli 2011 heeft plaatsgevonden, heeft appellant geen belang meer bij de vaststelling van de termijn waarbinnen betaling van dit bedrag moet plaatsvinden. Daarbij merkt de Raad nog op dat, anders dan appellants gemachtigde meent, de betalingstermijn niet eerder kan aanvangen dan op de datum waarop het betreffende besluit bekend is gemaakt. Het voorgaande brengt de Raad tot de conclusie dat het beroep, voor zover dat geacht wordt mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 april 2011, ongegrond dient te worden verklaard.
7. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het hoger beroepschrift). De Raad ziet geen aanleiding voor vergoeding van de kosten voor het verschijnen ter zitting, omdat het College ruimschoots voor de zitting van de Raad de vergoeding van de kosten van bezwaar aan appellant heeft toegekend en de uitbetaling van de vergoeding ook reeds vóór die zitting heeft plaatsgehad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2011 ongegrond;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 437,--, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het College aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 111,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) J. de Jong.