ECLI:NL:CRVB:2011:BT1556

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5565 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband tijdens ziekte in Employability-traject

Appellante was sinds 1987 in dienst bij ABN/AMRO Bank en werd in 2006 overtollig verklaard vanwege een reorganisatie. De werkgever plaatste haar in het Employability Center met een keuzemogelijkheid voor vrijwillig vertrek of begeleiding met uitzicht op beëindiging van het dienstverband na maximaal 18 maanden indien geen passende functie werd gevonden.

Appellante koos voor begeleiding en werd ziek op 21 mei 2007. Op 29 oktober 2007 stemde zij in met een beëindigingsovereenkomst per 7 maart 2008. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering wegens een vermeende benadelingshandeling omdat de instemming met beëindiging tijdens ziekte zou zijn gegeven.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de beëindigingsovereenkomst een bevestiging was van de eerder gemaakte afspraak uit 2006 en niet leidde tot een benadelingshandeling. De Raad vernietigde het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de Ziektewetuitkering geweigerd wegens een vermeende benadelingshandeling; het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

Uitspraak

09/5565 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 september 2009, 08/3597 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A. Severijn, advocaat te Utrecht hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011. Appellante is verschenen bijgestaan door mr. Severijn en J.H. Venix-Terburg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.2. Appellante is op 5 oktober 1987 in dienst getreden bij ABN/AMRO Bank N.V. als administratief medewerkster. In 2006 is zij overtollig verklaard als gevolg van reorganisatie. De werkgever heeft met het oog op de sociale gevolgen van de reorganisatie afspraken gemaakt met de vakbonden en deze afspraken vastgelegd in de Employability CAO (hierna: CAO). In deze CAO, die per 1 januari 2006 is ingegaan en per 1 januari 2008 is geëindigd, is onder meer het volgende vastgelegd:
“III Plaatsing in de mobiliteitsorganisatie door reorganisatie.
1. De medewerker voor wie door een reorganisatie geen passende functie beschikbaar is, wordt aansluitend geplaatst in de mobiliteitsorganisatie (…) De mededeling tot plaatsing in de mobiliteitsorganisatie wordt uiterlijk twee maanden
vóór de plaatsing gedaan (…)
2. De medewerker, werkzaam in Nederland op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, kan als alternatief voor zijn plaatsing in de mobiliteitsorganisatie kiezen voor een vrijwillig vertrek bij de bank met een
stimuleringspremie (...)
3. (…)
4. De afwikkeling van de arbeidsovereenkomst zal plaatsvinden volgens de gebruikelijke (interne) regelgeving en worden bevestigd in een standaard beëindigingsovereenkomst (…)
5. De medewerker zal in de mobiliteitsorganisatie geplaatst worden voor maximaal achttien maanden, te rekenen vanaf de dag waarop de medewerker in de mobiliteitsorganisatie wordt geplaatst (…)
6. (…)
7. (…)
8. Na afloop van de termijn genoemd onder III.5 wordt het dienstverband met de medewerker, werkzaam in Nederland op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, meteen beëindigd (…)
IV-VI (…)
VII Deze overeenkomst geldt als collectieve arbeidsovereenkomst en wordt door partijen als zodanig aangemeld bij het ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid.”
1.3. Ter uitvoering van deze CAO heeft de werkgever appellante in een brief van 15 mei 2006 bevestigd dat zij per 7 september 2006 wordt geplaatst in het Employability Center en haar daarbij tot 7 september 2006 de keuzemogelijkheid gegeven voor vrijwillig vertrek per 7 september 2006 dan wel plaatsing per 7 september 2006 in het Employbility Center voor de duur van maximaal 18 maanden, waarbij is aangegeven dat indien in die periode geen nieuwe functie is gevonden het dienstverband zal eindigen. Op het daartoe door appellante op 27 juli 2006 ondertekende keuzeformulier “Stimuleringspremie/Begeleiding Employability Center” heeft appellante aangegeven niet te kiezen voor vrijwillig vertrek en gebruik te willen maken van de begeleiding door het Employability Center.
1.4. Op 29 oktober 2007 hebben de werkgever en appellante een beëindigingsovereenkomst gesloten waarin het volgende is opgenomen:
“In aanmerking nemende:
a (…)
b (…)
c.
dat Werkgever over de sociale gevolgen van die reorganisatie met vakbonden afspraken heeft gemaakt in de Employability-CAO, die als CAO voor alle werknemers van Werkgever geldt, waarin onder meer is bepaald dat werknemers, die niet geselecteerd worden voor een functie in de nieuwe organisatie, voor maximaal 18 maanden in de mobiliteitsorganisatie geplaatst worden;
d.
dat deze periode 7 maart 2008 is verstreken zonder dat voor Werknemer een andere passende functie (in- of extern) kon worden gevonden en dat daarom conform de geldende Employability-CAO de arbeidsovereenkomst zal worden beëindigd;
e.
dat Werkgever Werknemer heeft voorgesteld de arbeidsovereenkomst met Werknemer met ingang van 7 maart 2008 met wederzijds goedvinden te beëindigen;
(f..i).
Komen het volgende overeen:
1. (…)
a.
De arbeidsovereenkomst tussen Werkgever en Werknemer eindigt met wederzijds goedvinden uiterlijk per 7 maart 2008.”
1.5. Tijdens de mobiliteitsperiode is appellante op 21 mei 2007 wegens ziekte uitgevallen. Deze arbeidsongeschiktheidsperiode heeft onafgebroken voortgeduurd tot na de datum van het einde van het dienstverband 7 maart 2008. De werkgever heeft appellante vervolgens per het einde van het dienstverband ziek gemeld.
2. Bij het bestreden, op bezwaar genomen besluit van 4 augustus 2008 heeft het Uwv zijn besluit van 3 april 2008 gehandhaafd tot blijvende en gehele weigering vanaf 7 maart 2008 van uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW door op 29 oktober 2007 - tijdens haar ziekte - in te stemmen met de beëindiging van de dienstbetrekking met de werkgever per 7 maart 2008.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat appellante door op 27 oktober 2007 - derhalve tijdens haar ziekte - de overeenkomst te ondertekenen, waarbij zij heeft ingestemd met de beëindiging van de dienstbetrekking bij haar werkgever per 7 maart 2008, een benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j van de ZW en dat niet kan worden vastgesteld dat appellante hiervan in het geheel geen dan wel in verminderde mate een verwijt kan worden gemaakt.
4. In hoger beroep stelt appellante - samengevat weergegeven - zich primair op het standpunt dat er geen sprake is van een benadelingshandeling. Appellante heeft reeds op het moment van de keuze voor het bemiddelingstraject een keuze gemaakt voor de beëindiging van het dienstverband per 7 maart 2008, indien zij binnen die periode van 18 maanden geen ander werk zou vinden. Volgens appellante dient het beoordelingsmoment voor de vraag of er sprake is van een benadelingshandeling dan ook te liggen op 27 juli 2006 en niet op 29 oktober 2007. Op 27 juli 2006 was appellante nog niet arbeidsongeschikt zodat er geen sprake kan zijn van een benadelingshandeling.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld heeft de wetgever met een benadelingshandeling als vorenbedoeld in het bijzonder het oog gehad op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijs geeft op een moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico is ingetreden.
5.3. Met het op 27 juli 2006 ondertekende keuzeformulier heeft appellante in reactie op de brief van de werkgever van 15 mei 2006 aangegeven per 7 september 2006 deel te willen nemen in het Employability Center voor de vastgestelde duur van (maximaal) 18 maanden, derhalve tot 7 maart 2008. Op grond van de hiervoor weergegeven CAO wordt het dienstverband na afloop van deze periode meteen beëindigd. Met het ondertekenen van het keuzeformulier op 27 juli 2006 is naar het oordeel van de Raad dan ook de overeenkomst met de werkgever tot beëindiging van het dienstverband per uiterlijk 7 maart 2008 tot stand gekomen. De op 29 oktober 2007 gesloten beëindigingsovereenkomst dient in dat kader - mede gelet op hetgeen hiervoor onder III.4 van de CAO staat aangegeven - gelet op zijn bewoordingen gezien te worden als een bevestiging van de eerder gemaakte afspraak en beoogt geen materiële wijziging van de rechtsverhouding tussen partijen tot stand te brengen en is daarmee dan ook niet bepalend voor het voor artikel 45, eerste lid, onder j, van de ZW, van belang zijnde beoordelingsmoment. Nu appellante op 21 mei 2007 arbeidsongeschikt is geworden, is er geen sprake van een benadelingshandeling in vorenbedoelde zin. Het Uwv heeft dan ook ten onrechte besloten tot blijvende en gehele weigering van de ZW-uitkering vanaf 7 maart 2008.
6. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen, volgt dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, waarbij het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, dienen te worden vernietigd.
7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.518,--.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 1.518,-- te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat aan appellante het betaalde griffierecht van € 149,-- wordt vergoed.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
NW