ECLI:NL:CRVB:2011:BT1769
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over de weigering van ziekengeld aan werknemer in de zin van de Ziektewet
In deze tussenuitspraak van de Centrale Raad van Beroep, gedateerd 14 september 2011, wordt de zaak behandeld van een appellant die in hoger beroep is gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Breda. De appellant, die sinds 7 december 2000 een uitkering ontvangt op basis van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), had zich op 25 augustus 2008 ziek gemeld. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had hem met ingang van 3 december 2008 een ziekengelduitkering toegekend. Echter, bij besluit van 23 januari 2009 werd aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 24 januari 2009 geen recht meer had op ziekengeld. Dit besluit werd door het Uwv in een later besluit van 12 maart 2009 bevestigd, waarbij het Uwv stelde dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en zijn werkgever, [naam BV].
De rechtbank Breda oordeelde dat er wel degelijk sprake was van een dienstbetrekking en vernietigde het besluit van het Uwv. De rechtbank oordeelde verder dat appellant per 24 januari 2009 niet ongeschikt kon worden geacht voor tenminste één van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies, waardoor het subsidiaire standpunt van het Uwv standhield. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de toetsing van de geschiktheid van appellant niet had plaatsgevonden door het Uwv, en dat het bestreden besluit daarom een deugdelijke grondslag mist. De Raad droeg het Uwv op om binnen zes weken het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van de overwegingen van de Raad. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer, met Ch. van Voorst als voorzitter, en werd openbaar uitgesproken op 14 september 2011.