ECLI:NL:CRVB:2011:BT1779

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-777 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten aanvraag arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens onvoldoende gegevens

Appellant heeft in 2006 een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering met betrekking tot arbeidsongeschiktheid die in januari 1981 zou zijn ingetreden. Hij overlegde medische verklaringen en correspondentie, maar kon geen bewijsstukken aanleveren van zijn werkzaamheden in Nederland of van de ontvangst van ziekengeld.

Het UWV heeft appellant herhaaldelijk verzocht om nadere gegevens en bewijsstukken, maar appellant kon deze niet overleggen. Daarom heeft het UWV de aanvraag buiten behandeling gelaten op grond van artikel 4:5 Awb Pro. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd.

In hoger beroep stelt appellant dat hij voldoende gegevens heeft verstrekt. De Raad overweegt dat de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor een goede beoordeling en dat appellant redelijkerwijs over de gevraagde gegevens had kunnen beschikken. Gezien het tijdsverloop en de aard van de gevraagde bewijsstukken rust de bewijslast primair op appellant.

De Raad bevestigt het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro aanwezig.

Uitkomst: De aanvraag van appellant wordt buiten behandeling gelaten wegens onvoldoende gegevens en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/777 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] te Marokko (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2009, 08/2363 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.E. Stam, advocaat te Zaandam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011.
Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Op 13 april 2006 heeft appellant bij de Caisse Nationale de Sécurité Sociale (CNSS) een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering terzake van arbeidsongeschiktheid welke zou zijn ingetreden in januari 1981. Hierbij heeft hij een aantal bijlagen gevoegd, waaronder een verklaring van 28 mei 1981 van een arts van de CNSS inhoudende dat appellant van 1 april 1981 tot 1 juni 1981 arbeidsongeschikt was. Voorts twee brieven van de Stichting Algemeen Ziekenfonds voor Amsterdam (AZA) van 7 augustus 1981 en 20 november 1981 omtrent de beëindiging van de verplichte verzekering per augustus 1981. Verder heeft appellant nog een verklaring overgelegd van 12 december 2005 van het Ministerie van Gezondheid in Tetouan inhoudende dat appellant sinds 1981 meerdere malen opgenomen is geweest.
1.2. Bij brief van 28 februari 2008 heeft het Uwv aan appellant verzocht een aantal vragen te beantwoorden. Appellant is onder meer gevraagd om aan te geven bij welke werkgevers hij in Nederland werkzaam is geweest en om bewijsstukken terzake van deze werkzaamheden over te leggen, alsmede bewijsstukken voor het feit dat appellant ziekengeld heeft ontvangen. Daarbij is aan appellant meegedeeld dat zonder een duidelijk antwoord op deze vragen de aanvraag niet verder behandeld kan worden. Appellant heeft in reactie op deze verzoeken onder meer aangegeven dat hij van 1977 tot en met 1980 in Nederland werkzaam is geweest bij een kledingbedrijf in Amsterdam. Verder heeft appellant aangegeven dat hij van januari 1981 tot en met juni 1981 een ZW-uitkering heeft ontvangen. Bij brief van 19 maart 2008 heeft het Uwv appellant wederom verzocht bewijsstukken over te leggen van zijn dienstverband in Nederland en van het feit dat hij ziekengeld zou hebben ontvangen. Appellant heeft hierop aangegeven geen bewijzen van de ontvangst van ziekengeld te hebben.
1.3. Bij besluit van 9 april 2008 heeft het Uwv besloten de aanvraag van appellant om een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten. Bij besluit op bezwaar van
1 juli 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit gehandhaafd onder de overweging dat de aanvraag van appellant onvoldoende gegevens bevat.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt dat hij voldoende gegevens heeft overgelegd op grond waarvan de aanvraag voor een WAO-uitkering in behandeling kan worden genomen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.3. Zoals is overwogen onder 1.2 heeft het Uwv bij brief van 19 maart 2008 om die nadere gegevens verzocht nu die noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of en wanneer appellant verzekerd is geweest en of de gestelde arbeidsongeschiktheid in januari 1981 is ingetreden tijdens of kort na een verzekerd tijdvak. Appellant heeft geen concrete gegevens omtrent zijn werkzaamheden en/of werkgevers noch bewijzen omtrent het ziekengeld overgelegd. De Raad is niet gebleken dat appellant niet redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de gevraagde gegevens. Daarbij acht de Raad van belang dat uit de door appellant overgelegde medische gegevens niet blijkt dat hij ten tijde van zijn vertrek uit Nederland - maart 1981- in een zodanige toestand verkeerde dat hij niet in staat was bewijsstukken van zijn werkzaamheden mee te nemen. De verklaring van het ministerie van Gezondheid in Tetouan van 12 december 2005 is daartoe onvoldoende. Voorts is de Raad van oordeel dat het, mede gelet op het tijdsverloop, primair aan appellant is om - althans een begin van - bewijs te leveren van de door hem gestelde werkzaamheden.
5. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en F.A.M. Stroink als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) T.J. van der Torn.
TM