ECLI:NL:CRVB:2011:BT1785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt recht op ziekengeld bij ongewijzigde WW-uitkering
Betrokkene ontving vanaf 2002 een WWB-uitkering en sloot op 1 oktober 2006 een arbeidsovereenkomst met een B.V. die in opdracht van de gemeente Kerkrade re-integratietrajecten uitvoert. Tijdens dit dienstverband verrichtte zij geen productieve arbeid maar volgde zij alleen cursussen en trainingen. Na ziekte en zwangerschapsverlof kende het UWV haar een WW-uitkering toe over de periode van 24 maart 2008 tot 23 juni 2008. Vervolgens weigerde het UWV een Ziektewet-uitkering met ingang van 24 juni 2008 omdat volgens het UWV geen sprake was van een dienstbetrekking.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit van het UWV. In hoger beroep stelde het UWV dat er een uitzondering geldt op de verzekeringsplicht omdat de arbeidsovereenkomst deel uitmaakte van een gemeentelijke re-integratieconstructie en betrokkene geen privaatrechtelijke dienstbetrekking had. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de toekenning en ontvangst van de WW-uitkering, die niet is ingetrokken of teruggevorderd, ertoe leidt dat betrokkene verzekerd blijft krachtens artikel 7 ZW Pro en dus recht heeft op ziekengeld.
De Raad verwierp het standpunt van het UWV dat op grond van eerdere jurisprudentie een uitzondering zou gelden, omdat in dit geval geen intrekking of terugvordering van de WW-uitkering heeft plaatsgevonden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het UWV werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij betrokkene recht heeft op ziekengeld.