ECLI:NL:CRVB:2011:BT1794

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4210 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellante, voormalig chauffeur zwaar transport bij Defensie, viel uit wegens whiplashklachten na een ongeval in 2006. Na de wachttijd werd zij medisch onderzocht door een verzekeringsarts die beperkingen vaststelde in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat zij niet geschikt was voor haar eigen werk maar wel voor vijf andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheidspercentage onder 35%. Het Uwv weigerde daarom een WIA-uitkering.

Op bezwaar stelde een bezwaarverzekeringsarts dat appellante meer beperkingen had dan aanvankelijk aangenomen, wat leidde tot aanpassing van de FML. Een bezwaararbeidsdeskundige vond dat twee van de vijf functies niet geschikt waren, maar de resterende drie wel, met een arbeidsongeschiktheid onder 35%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.

In beroep bracht appellante aanvullende medische informatie in van haar neuroloog en kapitein-arts, en een beroepskeuzeonderzoek. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat, mede omdat de klachten niet op objectieve afwijkingen berusten. Ook achtte de Raad de geselecteerde functies passend binnen haar belastbaarheid.

De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Er is geen aanleiding om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen. De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het Uwv dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitspraak

10/4210 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 juni 2010, 09/3296 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gestel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante is chauffeur zwaar transport geweest bij het Ministerie van Defensie. Op 19 juni 2006 is zij als gevolg van een ongeval wegens whiplashklachten uitgevallen. Na afloop van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In dat kader is appellante onderzocht door een verzekeringsarts. Op basis van dit onderzoek en verkregen informatie uit de behandelende sector heeft deze verzekeringsarts in een rapport van 29 oktober 2008 vastgesteld dat appellante als gevolg van haar (post)whiplashklachten niet geschikt is voor arbeid waarin zij fysiek en mentaal nadrukkelijk wordt belast. De voor appellante aangenomen beperkingen heeft hij vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens is een arbeidsdeskundige in een rapport van 12 januari 2009 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer is geschikt voor haar eigen werk van chauffeur zwaar transport maar nog wel voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellante bij besluit van 20 januari 2009 meegedeeld dat zij per einde wachttijd geen recht heeft op een WIA-uitkering.
2.1. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij als gevolg van haar klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. Daarnaast heeft zij bestreden dat de voor haar geselecteerde functies geschikt voor haar zijn. Ter ondersteuning van deze standpunten heeft zij medische informatie ingebracht van de anesthesioloog
dr. J.A. van Suijlekom en de bedrijfsarts F. Roos, alsmede een rapport van de arbeidsdeskundige G.J. van Assen.
2.2. De bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon is in een rapport van 6 juli 2009 tot de conclusie gekomen dat appellante meer beperkingen heeft dan de verzekeringsarts heeft aangenomen. Hij heeft de FML dan ook aangepast. De bezwaararbeidsdeskundige S.C. Kuiken heeft in een rapport van 11 augustus 2009 vastgesteld dat twee voor appellante geselecteerde functies niet geschikt voor haar zijn. Op basis van de resterende drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
3.1. In beroep heeft appellante te kennen gegeven dat zij zich ook niet kan verenigen met de door bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Voorts heeft appellante in beroep nog informatie ingebracht van de behandelend neuroloog dr. C.M.A.A. Roks en kapitein-arts L.J. Boogaard.
3.2. Van de zijde van het Uwv zijn in beroep rapporten van de bezwaarverzekeringsarts Van Paridon en bezwaararbeidsdeskundige M. Prosée, gedateerd achtereenvolgens 27 november en 16 december 2009, ingebracht, waarin is gereageerd op de gronden van appellante.
4. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met zowel de medische als de arbeidskundige component van het bestreden besluit en heeft het beroep ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante, onder herhaling van de eerdere in de procedure naar voren gebrachte gronden, een rapportage van een door het REA College Nederland verricht beroepskeuzeonderzoek overgelegd.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Naar het oordeel van de Raad heeft bezwaarverzekeringsarts Van Paridon een zorgvuldig medisch onderzoek ingesteld. Naast de door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen heeft hij vastgesteld dat appellante als gevolg van haar klachten tevens beperkingen heeft ten aanzien van de items persoonlijk risico, reiken en frequent reiken. De Raad is op grond van de beschikbare medische gegevens, waaronder de door appellante ingebrachte medische informatie, niet tot de conclusie kunnen komen dat deze bezwaarverzekeringsarts de beperkingen van appellante heeft onderschat, te meer daar uit deze gegevens naar voren komt dat de klachten van appellante niet of nauwelijks zijn terug te voeren op objectieve afwijkingen. Het door appellante ingenomen standpunt dat zij meer beperkingen heeft, heeft zij naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate aannemelijk gemaakt. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.
5.3. Aangezien de Raad tevens van oordeel is dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2011.
(get.) J.P.M. Zeijen.
(get.) H.L. Schoor.
IvR