ECLI:NL:CRVB:2011:BT2075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning bijstand naar alleenstaande norm vanwege verblijfsstatus echtgenote
Appellant, afkomstig uit Nigeria en in het bezit van een verblijfsvergunning op medische gronden, vroeg bijstand aan volgens de Wet werk en bijstand (WWB). Het College kende hem bijstand toe naar de norm voor een alleenstaande, ondanks dat hij samenwoonde met zijn echtgenote en kinderen. De echtgenote had geen geldige verblijfsvergunning en viel onder de koppelingsregeling van artikel 16, tweede lid, WWB, waardoor zij geen bijstand kon ontvangen.
Appellant maakte bezwaar tegen de bijstandsnorm en voerde aan dat het niet toekennen van bijstand naar de gehuwdennorm in strijd was met zijn recht op familieleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat er geen aanwijzingen waren dat de toekenning van bijstand naar de alleenstaande norm het privé- en gezinsleven van appellant zodanig belemmerde dat sprake was van een onevenwichtige afweging. De Raad verwees naar jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en benadrukte de ruime beoordelingsmarge van de staat bij de besteding van publieke middelen.
De Raad concludeerde dat het College terecht bijstand heeft toegekend volgens de norm voor alleenstaanden en wees het beroep op artikel 8 EVRM Pro af. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant bijstand ontvangt volgens de norm voor alleenstaanden vanwege de verblijfsstatus van zijn echtgenote en wijst het beroep op artikel 8 EVRM af.