ECLI:NL:CRVB:2011:BT2092
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende grondslag inkomsten prostitutie minderjarige
Appellant ontving bijstand van augustus 2005 tot maart 2007. Naar aanleiding van informatie van de politie werd een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit strafrechtelijke processen-verbaal bleek dat appellant inkomsten had uit onderverhuur en het in prostitutie brengen van een minderjarige vrouw, met een berekend wederrechtelijk voordeel van €12.550.
Het College trok de bijstand over april tot juni 2006 in en vorderde terugbetaling van €3.182,52. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het gebruik van strafrechtelijke onderzoeksgegevens niet onrechtmatig was, maar dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel niet op feitelijke en controleerbare gegevens berustte, waardoor het besluit niet deugdelijke grondslag had.
De Raad vernietigt het besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende deugdelijke grondslag, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege schending van de inlichtingenverplichting.