ECLI:NL:CRVB:2011:BT2294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-7047 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 AwbArt. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid

Appellant meldde zich op 4 mei 2008 ziek met diverse klachten en ontving een Ziektewetuitkering vanaf 5 mei 2008. Na medisch onderzoek op 6 oktober 2008 werd hij per 8 oktober 2008 volledig arbeidsgeschikt verklaard, waarna het UWV zijn ziekengeld beëindigde. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar deze werden ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde de besluiten vanwege onvoldoende motivering, waarna het UWV een nieuwe beoordeling deed met een gedetailleerde werkomschrijving van de functies.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond en oordeelde dat appellant geschikt was voor zijn werk. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege rugklachten, stress en medische beperkingen niet geschikt was, maar bracht geen medische onderbouwing mee. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige.

De Raad concludeerde dat appellant per 8 oktober 2008 in staat was zijn eigen werk te verrichten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 21 september 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 8 oktober 2008.

Uitspraak

10/7047 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 november 2010, 10/428 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S.G.C. van Ingen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 28 februari 2011 is overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 4 mei 2008 ziek gemeld voor zijn werk als heftruckchauffeur bij Heineken via een uitzendbureau, met maagklachten (diarree), rugpijn, hoofdpijn en griep. Naast zijn werk als heftruckchauffeur ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Voordat hem een WW-uitkering werd toegekend, was appellant werkzaam als magazijnmedewerker bij [naam werkgever]. Aan appellant is met ingang van 5 mei 2008 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Appellant is laatstelijk op 6 oktober 2008 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts E. Ali. Naar aanleiding van het onderzoek op dit spreekuur is appellant per 8 oktober 2008 volledig geschikt geacht voor zijn arbeid. Op basis hiervan heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2008 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 8 oktober 2008 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Bij besluit van 22 oktober 2008 is appellant nogmaals meegedeeld dat zijn ZW-uitkering met ingang van 8 oktober 2008 wordt beëindigd.
1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 6 oktober 2008 en 22 oktober 2008. Bij besluiten van 6 januari 2009 (besluit I) en 7 januari 2009 (besluit II) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2008 respectievelijk 22 oktober 2008 ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal van 29 december 2008. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, eigen medisch onderzoek en ontvangen informatie van de appellant behandelend MDL-arts dr. S.D.J. van der Werf van 18 november 2008, geconcludeerd dat appellant op goede gronden met ingang van 8 oktober 2008 arbeidsgeschikt is bevonden voor het eigen werk.
1.4. De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 14 oktober 2009 (09/1189 en 09/1191) het beroep tegen besluit I gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv onvoldoende had gemotiveerd waarom appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk, nu een werkomschrijving, waaruit de zwaarte van dit werk kon worden afgeleid, ontbrak. De rechtbank heeft ook het beroep tegen besluit II gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, waarbij zij zelf in de zaak heeft voorzien en het bezwaar tegen het besluit van 22 oktober 2008 niet-ontvankelijk heeft verklaard, een en ander met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte is komen vast te staan.
1.5. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon in zijn rapport van 2 december 2009, na overleg met de betrokken werkgevers, een werkomschrijving opgesteld van de functies heftruckchauffeur bij Heineken en magazijnmedewerker bij [naam werkgever]. Met betrekking tot de functie van heftruckchauffeur heeft de werkgever bevestigd dat sanitaire stops altijd kunnen worden gemaakt en dat er regelmatig pauzes mogelijk zijn. Langdurig aaneengesloten zitten (rugbelasting) kan naar eigen inzicht worden onderbroken, mits in overleg met leidinggevende en collega’s. In de functie magazijnmedewerker bestaat de fysieke belasting voornamelijk uit het tillen van gewichten van circa twee kilogram. Incidenteel dienen zwaardere gewichten tot tien kilogram te worden getild. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 9 december 2009 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 oktober 2008 opnieuw ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft beoordeeld of appellant op 8 oktober 2008 in staat was om de werkzaamheden behorende bij zijn werk als heftruckchauffeur en magazijnmedewerker te kunnen verrichten. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Zij zag geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen. Volgens de rechtbank hebben de verzekeringsartsen, in tegenstelling tot wat appellant aanvoert, wel rekening gehouden met de rugklachten, heeft appellant geen medische informatie in het geding gebracht waaruit blijkt dat hij stress zou moeten mijden en blijkt uit de werkomschrijving ook niets van de door appellant gestelde stressvolle functie. De rechtbank zag daarom geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de vaststelling van de belastbaarheid. Zij zag evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat het bestreden besluit niet aan de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voldoet en dat het een draagkrachtige motivering mist als vereist in artikel 7:12 van Pro de Awb. Uit het nadere onderzoek zijn volgens de rechtbank voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de aard en de zwaarte van de arbeid van appellant. Gegeven de klachten van appellant en zijn ervaren belemmeringen moet hij in staat worden geacht zijn eigen werk te kunnen verrichten.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat hij niet geschikt is voor zijn eigen werk. Volgens appellant hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts geen onderzoek verricht naar zijn rugklachten. Hij acht zich niet geschikt voor de functie van heftruckchauffeur omdat uit de werkomschrijving blijkt dat hij moet tillen hetgeen gelet op zijn rugklachten niet mogelijk is. Bovendien acht appellant zich niet geschikt voor het werk als heftruckchauffeur omdat hij als gevolg van een maagoperatie veelvuldig last heeft van diarree en buikpijn waardoor het noodzakelijk is dat hij op ieder gewenst moment naar het toilet kan gaan, hetgeen in deze functie niet zou kunnen. Volgens appellant betreft de functie van heftruckchauffeur bovendien een stressvolle functie. Appellant acht zich evenmin geschikt voor de functie van magazijnmedewerker omdat in die functie de hele dag moet worden getild, incidenteel tot tien kilogram, hetgeen hij niet kan. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij de hele dag last heeft van hoofdpijn en benauwdheid.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtsreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als heftruckchauffeur bij Heineken via een uitzendbureau en als magazijnmedewerker bij [naam werkgever], zijn de werkzaamheden behorende bij deze functies terecht als maatstaf arbeid aangemerkt.
4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding om de bezwaarverzekeringsarts Admiraal niet te volgen. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. Appellant heeft zijn standpunt niet met medische gegevens onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts Admiraal heeft in zijn rapport van 28 februari 2011 uitvoerig gereageerd op hoger beroepschrift van appellant. De Raad onderschrijft de inhoud van dit rapport.
4.3. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat uit het onderzoek van de bezwaararbeidsdeskundige D.L.A. Politon voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen over de aard en zwaarte van appellants arbeid. Appellant moet per 8 oktober 2008 in staat worden geacht zijn eigen werk (weer) te kunnen verrichten.
4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM