ECLI:NL:CRVB:2011:BT2300

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2677 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op Ziektewetuitkering na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, gedeeltelijk arbeidsongeschikt door een ongeval in 1974, kreeg een uitkering op grond van de WAO. Na meerdere ziekmeldingen en herstelverklaringen beoordeelde het UWV dat appellant per 23 januari 2009 geen recht meer had op een Ziektewetuitkering, omdat hij geschikt was voor ten minste één van de geduide functies.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de medische beperkingen niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat niet alle medische gegevens, zoals een MRI-scan en een rapport van een verzekeringsarts, waren meegenomen.

De Raad overwoog dat het UWV de juiste maatstaf voor arbeid hanteerde en dat de medische beoordelingen van de verzekeringsartsen voldoende onderbouwd en gemotiveerd waren. De door appellant aangevoerde aanvullende medische gegevens betroffen oude letsels die reeds waren meegewogen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

10/2677 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 31 maart 2010, 09/685 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij brieven van 28 juni 2010 en van 26 juli 2011 aanvullende reacties ingezonden. Hierop heeft het Uwv gereageerd onder overlegging van een rapport van bezwaarverzekeringsarts C.M.H. Heeskens-Reijnen van 1 augustus 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door L. den Hartog.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is als gevolg van een auto-ongeluk in 1974 gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt en ontvangt om die reden een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Deze mate van arbeidsongeschiktheid is bij besluit van 22 augustus 2008 ongewijzigd gehandhaafd. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving heeft hij zich op 18 april 2008 ziek gemeld, waarna hij met ingang van 26 september 2008 hersteld is verklaard. Op
26 september 2008 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld, waarna hij op 27 oktober 2008 hersteld is verklaard.
1.2. Op 23 december 2008 heeft appellant zich wederom ziek gemeld met linker onderbeenklachten. Appellant is op 22 januari 2009 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts P. Teeuwissen, die hem per 23 januari 2009 geschikt achtte voor de laatstelijk in het kader van de WAO geduide functies. Op basis van deze medische rapportage heeft het Uwv bij besluit van 22 januari 2009 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 23 januari 2009 geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Bij besluit van 12 februari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 januari 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon van 6 februari 2009, ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie en eigen onderzoek aangegeven dat er geen reden is om tot een ander medisch oordeel te komen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek berust en dat er geen aanleiding is om de uitkomst daarvan voor onjuist te houden. De klachten waarmee appellant zich tot het Uwv heeft gewend zijn door de (bezwaar)verzekeringsarts in kaart gebracht en er is een toereikend beeld gevormd van de toestand van appellant ten tijde in geding. Op grond van de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant op 23 januari 2009 in staat moest worden geacht tot het verrichten van arbeid, ondanks de restbeperkingen die nog bestonden.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om één van de geduide functies uit te oefenen. Hij stelt zich op het standpunt dat het medisch onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, omdat niet alle medische gegevens zijn meegenomen. In dat verband heeft hij gewezen op beschikbare informatie in de vorm van een MRI-scan en op het onderzoeksverslag van verzekeringsarts J.C. Hoek.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Gelet hierop stelt de Raad vast dat het Uwv van een juiste maatstaf arbeid is uitgegaan.
4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat verzekeringsarts Teeuwissen en bezwaarverzekeringsarts Van Paridon in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellant geschikt wordt geacht voor tenminste één van de in het kader van de WAO geduide functies. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. De Raad volgt dan ook het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen dat appellant met zijn klachten per 23 januari 2009 in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. In de beroepsfase heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd op de door appellant overgelegde informatie van de orthopedisch chirurg uit 1991 en van de neuroloog uit 1997. Op basis van deze (gedateerde) medische informatie was er geen reden tot een andersluidend medisch oordeel te komen. De informatie van de behandelend neuroloog uit 2009 geeft daar evenmin aanleiding toe, nu daaruit volgens de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat de vermelde gegevens betrekking hebben op de gevolgen van het oude letsel uit 1974, die reeds in de beoordeling zijn meegenomen. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages voldoende overtuigend en gemotiveerd aangegeven om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder ingenomen standpunt dat appellant vanaf 23 februari 2009 in staat wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, kan de Raad dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
4.3. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond dat geen aandacht is besteed aan een MRI-scan, blijkt uit de gedingstukken dat appellant bij brief van 5 januari 2010 een kopie van de uitslag van een onderzoek door neuroloog E.Th.L van Munster van 9 juli 2009 heeft ingebracht, die daarin de bevindingen van een MRI-scan heeft weergegeven. Op het onderzoek van de neuroloog heeft bezwaarverzekeringsarts Van Paridon gereageerd met een rapportage van 14 januari 2010, waarin wordt geconcludeerd dat er geen reden is om zijn standpunt te wijzigen. Van de aanwezigheid of beschikbaarheid van andere of recentere onderzoeksgegevens in de vorm van een MRI-scan is de Raad niet gebleken. In reactie op het standpunt van appellant in hoger beroep heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 1 augustus 2011 toegelicht dat de bevindingen vanuit de MRI-scan zien op het oude letsel uit 1974, waarvan de gevolgen reeds bekend waren en zijn meegewogen bij het vaststellen van de belastbaarheid in het verleden. Uit de door appellant genoemde rapportage van verzekeringsarts Hoek van 29 mei 2009, die betrekking heeft op een latere ziekmelding per 20 mei 2009, blijkt evenmin dat er sprake is van toegenomen beperkingen, dan wel van een toegenomen medische problematiek. Ook deze grond treft derhalve geen doel en kan niet leiden tot het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of dat de medische beperkingen van appellant zijn onderschat.
4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
EV