ECLI:NL:CRVB:2011:BT2331

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4346 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling

Appellant, die sinds een auto-ongeval in 1993 arbeidsongeschikt was, kreeg een WAO-uitkering toegekend. Na hervatting van werkzaamheden en een periode van ziekte, besloot het UWV de uitkering in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische en rugklachten onvoldoende waren meegewogen en dat de functies niet passend waren.

De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies was voldoende onderbouwd. De Raad concludeerde dat appellant voldoet aan de opleidingseis en dat de functies passend zijn, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op minder dan 15% is vastgesteld.

Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

10/4346 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 juli 2010, 08/3810 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A. van Ham, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Ham. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 15 november 1993 na een auto-ongeval in Turkije uitgevallen voor zijn werkzaamheden als machinebediende. Per einde wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is hem met ingang van 14 november 1994 door de rechtsvoorganger van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk per 22 september 2006 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 20 maart 2007 hervatte appellant als nationaal vrachtwagenchauffeur voor 20 uur per week, uit welke functie hij op 26 oktober 2007 ontslag nam.
1.2. Appellant is na zijn ziekmelding op 26 oktober 2007 wegens toegenomen rugklachten en psychische klachten op 9 april 2008 onderzocht door de verzekeringsarts F. Tjin-A-Ton, die geen toename van de beperkingen ten opzichte van de
WAO-beoordeling in 2006 heeft kunnen vaststellen. De bestaande beperkingen heeft de verzekeringsarts vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 9 april 2008. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige S. Badloe een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit is berekend op minder dan 15%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 augustus 2008 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 16 oktober 2008 wordt ingetrokken.
1.3. Bij besluit van 4 december 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 augustus 2008, onder verwijzing naar rapportages van bezwaarverzekeringsarts R.F. Seleski van 2 december 2008 en van bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband van 4 december 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven en het Uwv veroordeeld om aan appellant de proceskosten en het betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, omdat de bezwaarverzekeringsarts in de fase van het beroep uit zorgvuldigheidsoverwegingen de FML op 31 maart 2010 heeft aangepast in verband met de rugbeperkingen van appellant. Op grond van de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank evenwel geen aanleiding gezien om het Uwv niet te volgen in zijn standpunt dat appellant op en na 15 augustus 2008 voor minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige in diens rapportage van 6 april 2010 uitvoerig en toereikend heeft gemotiveerd dat de geduide functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijden. Het bestreden besluit berustte naar het oordeel van de rechtbank dan ook op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag, zodat de rechtsgevolgen daarvan in stand zijn gelaten.
3. In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank bestreden, voor zover de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daartoe heeft hij, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat het Uwv bij de herbeoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn psychische klachten en zijn rugklachten. In de FML zijn volgens appellant onvoldoende beperkingen opgenomen, waaronder een urenbeperking. Volgens appellant zijn de geduide functies medisch en arbeidskundig voor hem dan ook niet passend.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. De door appellant in hoger beroep aangevoerde medische gronden vormen een herhaling van de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het ter zake gegeven oordeel door de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie en eigen onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarvan gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft gemotiveerd aangegeven dat niet is gebleken dat er voldoende medische argumenten zijn om een urenbeperking aan te nemen. De bij appellant gestelde diagnoses chronische aanpassingsstoornis en chronische lage rugklachten geven medisch gezien geen aanleiding tot een dermate verlaagd energieniveau of energiedeficit dat er reden is om in passend werk een urenbeperking aan te nemen. Appellant volgde ten tijde van het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts evenmin een medische noodzakelijke behandeling waardoor hij verminderd beschikbaar was en het dagverhaal gaf ook geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen. Gelet op de voorhanden medische gegevens ziet de Raad geen aanleiding aan de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft appellant in hoger beroep een brief van 28 oktober 2010 van zijn psychiater F. Kaya overgelegd. Daaruit blijkt dat op en na 16 oktober 2008, de datum in geding, geen sprake is van een verbetering of verslechtering van het toestandsbeeld van appellant. De Raad ziet, gelet op de beschikbare medische informatie, dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat, mede omdat door appellant in hoger beroep geen andersluidende medische gegevens zijn overgelegd. Mitsdien is het Uwv terecht uitgegaan van de beperkingen en de belastbaarheid van appellant, zoals neergelegd in de aangepaste FML van 31 maart 2010.
4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat aan de schatting de functies electromonteur (sbc-code 267010), monteur kozijnen, kisten, pallets (sbc-code 262230) en textielproductenmaker (sbc-code 111160) ten grondslag zijn gelegd. De Raad is van oordeel dat met de toelichtingen van de bezwaararbeidsdeskundige Stroband in zijn rapportages van 4 december 2008 en 6 april 2010 voldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Het ter zitting ingenomen standpunt van appellant dat hij niet voldoet aan de opleidingseis voor de functie electromonteur, waarin als niveau afgerond basisonderwijs met enkele jaren voortgezet onderwijs wordt gesteld, wordt door de Raad niet gevolgd nu hij blijkens zijn mededeling ter zitting tot zijn achttiende jaar in Turkije onderwijs heeft gevolgd en daarmee naar het oordeel van de Raad aan de opleidingseis voldoet. Wat betreft de door appellant aangevoerde grond dat in de functie monteur kozijnen kisten, pallets sprake is van een overschrijding op het item 4.11 (frequent buigen tijdens werk) heeft de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 6 april 2010 gemotiveerd aangegeven dat de signalering met de bezwaarverzekeringsarts is besproken en dat de belasting mogelijk is omdat de feitelijke rugbeperkingen van appellant gering zijn. Daarbij is aangegeven dat de frequentie van het buigen weliswaar hoger is, maar dat de buighoek gering is, namelijk de helft van de toegestane 60 graden. Gelet op deze motivering heeft het Uwv deze functie naar het oordeel van de Raad terecht passend geacht. Op basis van de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 15 augustus 2008 terecht vastgesteld op minder dan 15%.
4.3. Gelet op hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM