ECLI:NL:CRVB:2011:BT2431
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante werkte vanaf november 2007 als productiemedewerkster via een uitzendbureau en meldde zich ziek na een verkeersongeval in september 2008. Het UWV besloot per 9 december 2008 het ziekengeld stop te zetten omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht.
Appellante maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank vond het medisch onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en zag geen reden het standpunt te wijzigen. De medische informatie van de huisarts werd ook meegewogen, maar gaf geen aanleiding tot een ander oordeel.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd. Hoewel appellante aanvullende medische stukken overlegde, waren deze grotendeels van latere datum en boden zij geen nieuw inzicht in haar gezondheidstoestand ten tijde van het besluit. De Raad stelde vast dat er geen medisch objectiveerbare beperkingen waren en dat het werk aan de lopende band niet te belastend was. De klachten van nek, schouder en arm waren niet medisch objectiveerbaar.
De Raad vond geen reden voor een proceskostenveroordeling en bevestigde de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van medisch objectiveerbare beperkingen.