ECLI:NL:CRVB:2011:BT2460

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2317 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsongeschiktheid na zwangerschap en bevalling

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 21 september 2011 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage. Appellante had bezwaar gemaakt tegen de verlaging van haar ZW-uitkering van 100% naar 70% van het dagloon, welke verlaging was gebaseerd op de conclusie dat haar arbeidsongeschiktheid niet het gevolg was van haar zwangerschap of bevalling. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts, De Brouwer, voldoende had aangetoond dat de klachten van appellante niet het gevolg waren van deze gebeurtenissen. Appellante, vertegenwoordigd door haar advocaat M.P. de Witte, stelde in hoger beroep dat zij recht had op het voordeel van de twijfel, omdat niet was aangetoond dat haar klachten een andere oorzaak hadden dan zwangerschap of bevalling.

De Raad overwoog dat appellante in hoger beroep voornamelijk herhaalde wat zij eerder had aangevoerd. De bezwaarverzekeringsarts had in zijn rapportages duidelijk gemaakt dat de lichamelijke klachten van appellante, die begonnen in het bekken en de onderrug, niet specifiek gerelateerd waren aan de bevalling. De Raad concludeerde dat de klachten te aspecifiek waren en dat er geen duidelijke relatie met de bevalling kon worden vastgesteld. Ook de psychische klachten werden niet als gevolg van de zwangerschap of bevalling beschouwd, maar als een lichte aanpassingsproblematiek. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was om de eerdere beslissing te herzien.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij het Uwv terecht had geconcludeerd dat de klachten van appellante niet rechtstreeks het gevolg waren van zwangerschap of bevalling. De Raad achtte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Uitspraak

10/2317 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 april 2010, 09/5948 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J.H.M. de Brouwer van
17 juni 2010 is overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is laatstelijk tot 1 juli 2008 werkzaam geweest als (thuis)zorgverlener voor 25 tot 40 uur per week. Na een aansluitende uitkering ingevolge de Werkloosheidswet is aan appellante over de periode van 5 oktober 2008 tot 3 februari 2009 een zwangerschaps- en bevallings uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg toegekend. Aansluitend heeft zij zich per 3 februari 2009 ziek gemeld vanwege klachten aan het bewegingsapparaat en psychische klachten. Met ingang van
3 februari 2009 is aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Appellante is een aantal keren gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op het laatste spreekuur van
11 juni 2009 heeft verzekeringsarts D. Geesink-van der Vliet vastgesteld dat de klachten van appellante niet direct het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Op basis van de rapportage van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van
11 juni 2009 aan appellante meegedeeld dat haar recht op ziekengeld per 3 februari 2009 niet voortvloeit uit ongeschiktheid die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Dat houdt in dat appellante vanaf
3 februari 2009 recht heeft op een uitkering van 70% van het dagloon in plaats van 100%.
1.3. Bij besluit van 16 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 juni 2009, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts De Brouwer van 1 juli 2009, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen geen aanleiding te zien om aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Het gegeven dat de bezwaarverzekeringsarts geen oorzaak van de lichamelijke klachten van appellante benoemt, heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsartsen afdoende hebben aangetoond dat de klachten van appellante niet het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling. Bovendien hebben de verzekeringsartsen gerapporteerd dat de vermoedelijke irritatie van de SI-gewrichten en spierhypertonie de oorzaak is van de lichamelijke klachten van appellante. Wat betreft de psychische klachten is gerapporteerd dat deze het gevolg zijn van een aanpassingsstoornis, zoals die kan optreden bij blootstelling aan een life event. In een dergelijke situatie kan niet worden gesproken van arbeidsongeschiktheid als direct gevolg van zwangerschap of bevalling. De rechtbank heeft geen aanknopingspunt gezien om aan dit oordeel van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht geconcludeerd dat de klachten van appellante niet rechtstreeks het gevolg zijn van zwangerschap of bevalling.
3. In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar de Standaard “Zwangerschap en bevalling als oorzaak van ongeschiktheid voor haar arbeid”, aangevoerd dat zij de eerste drie maanden van de arbeidsongeschiktheid het voordeel van de twijfel dient te krijgen, indien niet vast komt te staan dat de arbeidsongeschiktheid een andere oorzaak heeft dan de zwangerschap of bevalling.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is een herhaling van hetgeen zij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportages op inzichtelijke wijze onderbouwd dat de arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 februari 2009 niet haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Met betrekking tot de lichamelijke klachten van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapportage van 1 juli 2009 vastgesteld dat deze zijn begonnen in het bekken en de onderrug en dat deze daarna verder zijn uitgebreid naar de gehele rug en diverse gewrichten. Hoewel de klachten na de bevalling zijn begonnen, heeft de bezwaarverzekeringsarts geen duidelijke relatie met die gebeurtenis kunnen onderkennen. De klachten zijn daarvoor te aspecifiek en hebben daarnaast ook geen relatie met het mechanische krachtenspel en de gevolgen daarvan, zoals zich dat tijdens het geboorteproces ontwikkelt. In zijn rapportage van 3 maart 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat het voordeel van de twijfel, zoals door appellante bepleit, gerechtvaardigd zou zijn als de pijnklachten beter rondom het baringskanaal gelokaliseerd waren geweest en er bijvoorbeeld mechanisch een bijzonder belastende bevalling geweest was. Van een dergelijk feitencomplex is echter geen sprake (geweest) en mede omdat de klachten zich ook ruim buiten de lage rug en het bekken bevonden en appellante een voorgeschiedenis van aspecifieke klachten van het bewegingsapparaat heeft, zijn de klachten volgens de bezwaarverzekeringsarts niet te duiden als gevolg van zwangerschap of bevalling. Wat betreft de psychische klachten heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat bij appellante sprake is van een lichte aanpassingsproblematiek als reactie op een belangrijk life event, dat niet het specifiek gevolg is van de zwangerschap of bevalling. Nu ook hier sprake is van een aantoonbare andere oorzaak dan de zwangerschap of bevalling, kan er volgens de bezwaarverzekeringsarts evenmin voordeel van twijfel zijn.
4.2. In de in hoger beroep overgelegde rapportage van 17 juni 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts, als reactie op hetgeen door appellante is aangevoerd, aangegeven geen reden te zien zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Nu appellante haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat haar het voordeel van de twijfel moet worden gegund omdat niet is komen vast te staan dat haar arbeidongeschiktheid een andere oorzaak heeft de zwangerschap of bevalling niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.
4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
NK