ECLI:NL:CRVB:2011:BT2464

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2727 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op Ziektewet-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen ondanks psychische klachten

Betrokkene, laatstelijk werkzaam als draaier/machinebankwerker, meldde zich ziek met rug-, been- en handklachten. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, wees de Ziektewet-uitkering af op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank Assen verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat de psychische beperkingen onvoldoende waren erkend en het medische beeld onvolledig was.

In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte de situatie uit 2005 en 2009 op de datum in geding toepaste en dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en voldoende was. De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts terecht concludeerde dat betrokkene ondanks psychische klachten in staat was tot arbeid, mede gelet op medische rapportages en het eigen onderzoek.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De beslissing werd uitgesproken door C.P.J. Goorden op 21 september 2011.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Uitspraak

10/2727 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 20 april 2010, 08/849 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 21 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en daarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts A. van Bruggen van
26 april 2010 overgelegd.
Namens betrokkene heeft mr. H.J.M. Nijholt, advocaat te Emmen, een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft hierop een aanvullende reactie van bezwaarverzekeringsarts
Van Bruggen van 2 februari 2011 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. F.H.M.A. Swarts. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Nijholt. Als tolk was R. Rahimali aanwezig.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene is laatstelijk werkzaam geweest als draaier/machinebankwerker via een uitzendbureau. Vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, heeft betrokkene zich op 11 februari 2008 ziek gemeld met klachten aan de rug en benen en trillende en tintelende handen.
1.2. Betrokkene is een aantal keren gezien op het spreekuur van verzekeringsarts J.A.H.W. Aalders. Na het laatste spreekuur op 11 juni 2008 heeft de verzekeringsarts, na verkregen informatie van de huisarts van betrokkene, op 25 juni 2008 gerapporteerd dat de klachten van betrokkene worden geduid als tendomyogeen van aard en dat er daarom geen contra-indicatie is tegen de hervatting van zijn werk. Op grond van deze rapportage heeft appellant bij besluit van
25 juni 2008 aan betrokkene meegedeeld dat hij vanaf 1 juli 2008 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Bij besluit van 3 september 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 25 juni 2008, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Bruggen van 2 september 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar van betrokkene dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er gelet op de voorgeschiedenis van betrokkene gekoppeld aan de visie van de behandelend psychiater voldoende aanknopingspunten in objectief medische zin bestaan om betrokkene te kunnen volgen in zijn opvatting dat zijn psychische beperkingen in onvoldoende mate door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn erkend. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts geen volledig beeld gehad van de beperkingen van betrokkene voor het verrichten van zijn arbeid en berustte het bestreden besluit mitsdien op een onvoldoende medische grondslag.
3.1. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de situatie van betrokkene, zoals in 2005 door de bedrijfsarts beschreven en door de psychiater in zijn brief van 16 december 2009 vermeld, van toepassing heeft geacht op de datum in geding en dusdoende te lichtvaardig de resultaten van het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts terzijde heeft gelegd.
3.2. Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij op
2 september 2008 ten overstaan van de bezwaarverzekeringsarts heeft aangegeven dat het psychisch helemaal niet goed met hem ging en dat deze arts daar totaal geen onderzoek naar gedaan heeft. Hij acht zich dan ook niet in staat per
1 juli 2008 zijn eigen werk te verrichten.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Ingevolge artikel 19 van Pro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ’zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvraag van de arbeidsongeschiktheid feitelijk verrichte werk. Nu betrokkene laatstelijk werkzaam is geweest als draaier/machinebankwerker, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij appellant op basis van de voorhanden gegevens voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk,
4.2. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de medische voorgeschiedenis van betrokkene en de verkregen informatie van de behandelend psychiater onvoldoende aanknopingspunten bieden om betrokkene in verband met psychische klachten ongeschikt te achten voor zijn arbeid. Daartoe wijst de Raad erop dat verzekeringsarts K.J. Volders in zijn rapportage van 15 maart 2005, in reactie op de informatie van de bedrijfsarts, heeft vermeld dat betrokkene inmiddels bij een andere werkgever werkte waar het veel beter ging en waar hij plezier had in zijn werk. Bij het “onderzoek psyche” gaf deze verzekeringsarts aan dat er geen aanwijzingen waren voor psychopathologie. Hij was van oordeel dat er op dat moment geen sprake was van door ziekte of gebrek veroorzaakte structurele beperkingen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren en dat de situatie anders was dan door de bedrijfsarts beschreven. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat ook in de verkregen informatie van de huisarts van 18 juni 2008 geen melding werd gemaakt van psychische problematiek bij betrokkene. Uit de in beroep overgelegde brief van psychiater dr. F.M.J. Woonings van 16 december 2009 blijkt dat betrokkene eerst vanaf
16 juni 2009 onder behandeling is. In die brief worden evenwel geen uitlatingen gedaan over de psychische situatie van betrokkene op de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapportage nog vermeld dat uit de arbeidsanamnese is gebleken dat betrokkene gedurende drie en een half jaar als draaier/machinebankwerker bij drie werkgevers heeft gewerkt. Volgens de bezwaarverzekeringsarts heeft de rechtbank ten onrechte de situatie, zoals in 2005 beschreven door de bedrijfsarts en in 2009 gemeld door de psychiater, (impliciet) van toepassing geacht op de datum in geding. Naar het oordeel van de Raad is het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts voldoende zorgvuldig geweest en heeft hij, gelet op de voorhanden medische gegevens en zijn eigen onderzoek, terecht geconcludeerd dat betrokkene, ondanks de al langer bestaande psychische klachten, op de datum in geding in staat was tot het verrichten van zijn arbeid. In hetgeen door betrokkene naar voren is gebracht ziet de Raad geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
4.3. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en dat het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
TM