ECLI:NL:CRVB:2011:BT2599
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als schoonmaker, ontving sinds 1992 een WAO-uitkering die in 1996 werd herzien naar een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een herbeoordeling in 2006 door verzekeringsarts Verdenius, waarbij beperkingen werden vastgesteld met uitzondering van bepaalde klachten, trok het UWV in 2008 de WAO-uitkering in.
Appellant maakte bezwaar en leverde medische rapporten aan, waaronder een psychiatrisch rapport dat simulatie concludeerde. Het UWV handhaafde het besluit. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn gronden en voegde een rapport van een zenuwarts toe over chronische angstklachten. De Raad achtte dit onvoldoende om het eerdere oordeel te wijzigen. Ook de arbeidskundige onderbouwing bleef onbetwist, waarbij werd vastgesteld dat er voldoende vergelijkbare functies op de arbeidsmarkt zijn.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding tot kostenveroordeling. Appellant werd in de gelegenheid gesteld zich te laten horen en kon vragen beantwoorden met behulp van een tolk.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 12 mei 2008 na een zorgvuldig onderzoek.