ECLI:NL:CRVB:2011:BT2613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4164 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 1 Besluit Tarieven in strafzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep tegen UWV-beslissing WIA

Appellant stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam betreffende een WIA-zaak tegen het UWV. Tijdens de procedure werd het hoger beroep geschorst om het UWV gelegenheid te geven te reageren op een medische rapportage. Het UWV nam vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar waarbij het geheel tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De Raad stelde vast dat het hoger beroep was ingetrokken omdat het UWV geheel aan de bezwaren tegemoet was gekomen. De Raad beoordeelde alleen de vergoeding van proceskosten gemaakt in hoger beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet Tarieven in strafzaken werd een vergoeding toegekend voor rechtsbijstand en medische rapportages.

Het UWV werd veroordeeld tot betaling van in totaal € 1.523,84 aan proceskosten, te voldoen aan de griffier van de Raad. De uitspraak werd gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen op 23 september 2011.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 1.523,84 aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

10/4164 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2010, 08/999 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. Maats, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maats. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen een reactie in te dienen op een door de gemachtigde van appellant overgelegde medische rapportage van verzekeringsarts W.M. van der Boog.
Het Uwv heeft op 23 december 2010 een reactie van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden.
De Raad heeft aanleiding gezien nadere vragen te stellen aan de door de rechtbank in de beroepsfase ingeschakelde deskundige H.W.J. Rockx, revalidatiearts.
Bij schrijven van 29 januari 2011 heeft de deskundige de vragen van de Raad beantwoord. Hierop is van de zijde van het Uwv gereageerd met rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en van de bezwaararbeidsdeskundige.
Het Uwv heeft op 9 mei 2011 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 16 mei 2011 heeft mr. Maats namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bericht zich voor wat betreft de proceskostenveroordeling te conformeren aan het oordeel van de Raad.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het hoger beroep is ingetrokken omdat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 9 mei 2011 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen.
Aangezien de rechtbank reeds een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken voor de gemaakte proceskosten van appellant in beroep, staat de Raad enkel voor de beoordeling van de vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten.
De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Daarnaast komen de kosten van de medische rapportage van verzekeringsarts W.M. van der Boog voor vergoeding in aanmerking. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb komt appellant bij een bestede tijd van 6 uur een forfaitaire vergoeding toe van in totaal € 487,38. Dit bedrag is gebaseerd op het voor dergelijke rapporten in artikel 1, eerste lid onder IV van de Wet Tarieven in strafzaken van toepassing verklaarde Besluit Tarieven in strafzaken vastgestelde maximumtarief van € 81,23 per uur.
Gelet op het bepaalde in artikel 1, onder b, van het Bpb komen tevens de kosten van Medisch adviesbureau Wolthuis voor vergoeding in aanmerking. Gelet op artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb komt appellant bij een bestede tijd van 98 minuten (afgerond 2 uren) een forfaitaire vergoeding toe van in totaal € 162,46. Met betrekking tot de declaratie van Medisch adviesbureau Wolthuis van 15 april 2008 overweegt de Raad dat deze declaratie reeds op grond van de aangevallen uitspraak voor vergoeding in aanmerking komt.
Het Uwv dient derhalve in totaal een bedrag van € 1.523,84 aan proceskosten te vergoeden. Nu in hoger beroep een toevoeging krachtens de Wet op rechtsbijstand is afgegeven, dient het bedrag van € 1.523,84 te worden betaald aan de griffier van de Raad.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.523,84, te betalen aan de griffier van de Raad.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
KR