ECLI:NL:CRVB:2011:BT6023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WWB-uitkering wegens onvoldoende duidelijkheid over herkomst stortingen
Appellant diende op 9 december 2008 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College verzocht hem om nadere informatie over de herkomst van enkele stortingen op zijn bankrekening, waaronder bedragen van €300 en €1.700 in november 2008. Appellant gaf aan dat het geld geleend was van kennissen, maar weigerde in een gesprek verdere toelichting te geven.
Het College wees de aanvraag af op 30 december 2008 omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht. Ook het bezwaar tegen dit besluit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde dat appellant onvoldoende verklaring had gegeven over de stortingen, en dat het niet willen aangeven van de geldschieter en het ontbreken van schriftelijk bewijs voor zijn risico kwamen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn verklaring afdoende was. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat door de onduidelijkheid over de herkomst van het geld het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag WWB-uitkering wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de herkomst van stortingen.